Z’n vrouw gaat dood

Wie: Robert van D.

Waar: politierechter Utrecht

Kwestie: Vriend van de buurvrouw bedreigd

De twee volwassen dochters van Robert van D. (62) duwen zijn rolstoel de rechtszaal in. Hij heeft MS (multiple sclerose), maar kan zelf opstaan om tegenover de politierechter te gaan zitten. Van D. wordt vervolgd vanwege het bedreigen van de vriend van zijn buurvrouw in Soesterberg. In februari zou hij tegen hem gezegd hebben: „Kom hier, dan trek ik je kop van je romp.”

De buurvrouw en haar vriend zijn ook naar de zitting gekomen - een op het oog smetteloos jong stel. Zij draagt een roze jasje over haar bloemetjesjurk, heeft kort blond haar en een rode bril. Zijn witte overhemd is zorgvuldig gestreken en zijn haar zit strak in de gel. Hun tuin grenst aan die van Robert van D. Op 18 februari ging de jongen van het stel, hij heet Sander, een sigaret roken in de tuin. De honden van Robert en zijn vrouw begonnen direct te blaffen. En Sander riep daar iets over. Dat afspraken over overlast niet waren nagekomen of zoiets. Maar er waren helemaal geen afspraken, zegt Robert. „Die hebben we met dat kankerwijf van je gemaakt”, zei de jongen van het smetteloze stel toen volgens Robert.

Wát hij daarna heeft teruggeroepen weet Robert niet meer, maar dat hij heel boos was wel. Zijn vrouw hééft – uitgezaaide – longkanker. Tijdens de zitting zegt Robert het een keer of acht: „Ik ga mijn vrouw verliezen.” Hij laat duidelijk merken dat het conflict met de buren wat hem betreft in het niet valt bij zijn persoonlijke omstandigheden. „Leven en laten leven”, zegt hij, „daar gaat het om.” Hij ervaart bijvoorbeeld zelf ook de nodige overlast , zegt Robert. De katten van de buurvrouw plassen in zijn tuin, maar daar maakt hij toch ook geen punt van? „En als ze ruzieën is het net of ze bij mij in de kamer staan.

„Hoeveel honden heeft u eigen lijk?”, wil de politierechter weten: „Negen”, zegt Robert, maar zijn dochter op de eerste rij corrigeert: „acht, pa”. Zijn advocaat legt uit dat Robert en zijn vrouw „met medeweten van de gemeente en de woningbouwcorporatie” honden fokken bij hun huis.

De jongen, Sander, wil graag dat de rechter een slachtofferverklaring namens hem voorleest. Daarin beschrijft hij hoe zijn hart nog steeds sneller gaat kloppen als het huis van zijn vriendin nadert – uit angst. In de tuin „waar de bedreiging heeft plaatsgevonden” komt hij liever niet meer.

De officier van justitie wil iets zeggen voor ze aan haar requisitoir begint: „Wij gaan hier vandaag het probleem van de overlast niet oplossen. Wel wil ik u adviseren om vuur niet met vuur te bestrijden; dat werkt niet.” Omdat Sander ook een aandeel had in de escalatie – „hij heeft in ieder geval het contact aangewakkerd door over de schutting te roepen en daarbij een heel rottig woord gebruikt”, eist ze tegen Robert een geheel voorwaardelijke geldboete, van 250 euro.

Juridisch interessant wordt het bij het pleidooi van Roberts advocaat, mr. A. Boumanjal. Hij is het eens met de officier die stelde dat de problemen „hier niet zullen worden opgelost”. Deze „ordinaire burenruzie” hoort wat hem betreft dan ook niet thuis bij de politierecter, maar in het civiele recht, waarbij twee partijen een conflict voorleggen aan de rechter. Het strafrecht mag alleen worden ingezet als laatste redmiddel. Daarbij: „Niet elke woedeuitbarsting is een strafbare bedreiging”. Dat blijkt volgens hem zonneklaar uit een arrest van het gerechtshof in Arnhem, dat „steeds meer navolging krijgt”. In het arrest wordt gesteld dat voor ‘bedreiging’ op z’n minst nodig is dat de dader de bedoeling had „vrees aan te jagen”. Iemand die „ontploft” heeft niet per se die bedoeling, betoogt Boumanjal.

In zijn vonnis richt de politierechter zich direct tot Robert: „Het was wellicht een domme onbesuisde uitspraak van u. Maar ik geloof niet dat u hem echt de kop van de romp wilde trekken. Ik kan niet anders dan u vrijspreken.”

De officier kan nog niet zeggen of ze in beroep gaat. „Eerst dat arrest even bestuderen.”

De politierechter zoekt het arrest er nog even bij. In zijn vonnis zegt hij: „Er moeten voldoende aanwijzingen bestaan dat de wil van de verdachte erop gericht is de bedreiging uit te voeren”. Dat is nèt iets anders dan wat de advocaat betoogde.