Opinie

Wat óók kan: ‘motorblok’ plus GroenLinks-milieuminister

Er is best een regering te vormen zonder dat alle partijen het hele programma steunen, zegt In 1973 lukte het ook.

Jesse Klaver (GroenLinks) en Alexander Pechtold (D66) tijdens het debat over het stuklopen van de formatie. Foto: ANP / Remko de Waal

Een ‘zakelijke opstelling’ – ziedaar de toverformule waarmee de impasse bij de kabinetsformatie kan worden doorbroken. Eerst een regeerprogramma op hoofdpunten van VVD, CDA en D66 ter vorming van een parlementair ‘motorblok’, en pas daarna de fractievoorzitters van GroenLinks, PvdA en de ChristenUnie vragen zich zakelijk op te stellen tegenover een op die inhoudelijke basis gevormd kabinet. Dat betekent: niet bij eerste verschijning in de Tweede Kamer wegstemmen en liefst ook daarna geen steun geven aan moties van wantrouwen tegen het hele kabinet.

Elk van de drie partijen die in aanmerking komen om zo’n kabinet Rutte III bijsturend overeind te houden – vergelijkbaar met de ‘constructieve oppositie’ bij Rutte II – zal op zo’n verzoek waarschijnlijk reageren met het aangeven van eigen principiële grenzen. Bij alle drie liggen die, vermoed ik, vooral in internationale verplichtingen (Vluchtelingenverdrag) en in grondwettelijke normen zoals gelijke behandeling en non-discriminatie, godsdienstvrijheid, de regels van de rechtsstaat, milieubescherming en -verbetering, bestaanszekerheid en spreiding van welvaart.

Na toezegging van een ‘zakelijke opstelling’ kunnen ministersbenoemingen de band verstevigen; ‘extraparlementair’ heet dit. Daarbij ontstaat een verbinding met het kabinet die niet is gebaseerd op een programma, maar die loopt via vertrouwen van de fracties in hun ‘eigen’ ministers. Een minister uit de kring van GroenLinks op Milieu bijvoorbeeld.

‘Ononderhandelbaar’ regeerakkoord

Zo ging het 45 jaar geleden ook. Van drie partijen – PvdA, PPR (de Politieke Partij Radikalen, inmiddels opgegaan in GroenLinks) en D66 – lag er al een ‘ononderhandelbaar’ regeerakkoord. Bij de verkiezingen van 1972 hadden die hun zeteltal vergroot, maar met 56 zetels kwamen ze voor regeren nog veel tekort.

Dat het toch lukte, lag om te beginnen aan het gegroeide besef dat er toch echt een kabinet moest komen. In de kabinetsformatie van 1972-’73 vroeg dat twee à drie maanden. Na een informatieperiode van de christen-democraat Ruppert was duidelijk geworden wat er allemaal niet kon. Daarop vroeg formateur Burger (PvdA) aan de christen-democratische partijen of ze niet bereid waren zich jegens een te vormen minderheidskabinet zakelijk op te stellen. Toen ze dat niet meteen afwezen was er een basis om uit die kring ministers aan te zoeken. Zo kon het onconventionele kabinet-Den Uyl tot stand komen. Het bleef overeind tot de verkiezingen van 1977.

Of met de ChristenUnie nu gemikt kan worden op complete parlementaire participatie lijkt twijfelachtig. Laat daarom het ‘motorblok’ eerst tot overeenstemming komen over uitgangspunten voor een regeringsbeleid. Vraag vervolgens zowel ChristenUnie als GroenLinks en PvdA of zij bereid zijn tot ‘een zakelijke opstelling’ tegenover een op deze basis gevormd kabinet. Werf ten slotte uit een of meer van die partijen bewindslieden op posten die juist voor hen belangrijk zijn.

Ook dit zal geen gemakkelijke weg zijn, maar wellicht beter begaanbaar dan het ouderwetse streven naar bij voorbaat vastgelegde overeenstemming dat nu bezig is de hele formatie te verzieken.