Column

Kan de geest leven van papier alleen?

Dat je een hoofd bent dat door een lichaam door de wereld wordt gedragen, zoals Jens Christian Grøndahl eens schreef. Dat kwam me voor als een bondig geformuleerde samenvatting van ‘hoe het is’. Niet voor iedereen natuurlijk, voor een bepaald soort mensen. Het soort mensen dat meer denkt dan leeft.

Of bestaat dat niet, meer denken dan leven? Toen ik studeerde, kreeg ik eens van een studiegenoot een nieuwjaarskaart met een vrolijke foto van hemzelf en een vriend erop, ze hadden schaatsen om hun nek om zo het nieuwe jaar in te glijden, en ernaast had hij geschreven: „Leven, verdomme!”

Blijkbaar leefde ik niet. In zijn ogen.

Maar studeren, dacht ik, is toch ook leven? Er zijn genoeg mensen die het helemaal houden bij het leven van de geest. De geest moet natuurlijk wel iets te doen krijgen. Kan een geest leven van papier alleen? Papier en gedachten? Dat klinkt erg schraal, maar als je een dichtbundel leest en daarin iemand ontmoet, een stem, een leven, is daar niets schraals aan. Je kunt zeggen: ontmoet maar eens iemand in het echt! Met huid en haar!

Ontegenzeglijk is een contact heel anders als het in levende lijve plaatsvindt, maar dat ‘anders’ laat zich nog niet zo makkelijk in de vergrotende trap omzetten. Het is niet zo dat je iemand direct veel nader komt als je hem of haar nu maar eens in het echt zou tegenkomen.

Ooit ben ik in de gelegenheid geweest om de Poolse dichter Zbigniew Herbert te ontmoeten. Hij was in Amsterdam, in een hotelkamer en hij kon er eigenlijk niet vanaf, van die kamer, omdat zijn beperkte zuurstofinname hem dat nauwelijks toestond. Hij sprak bepaald niet in gedichten en kwam door zijn benauwdheid sowieso maar weinig aan praten toe, zeker niet in een andere taal – ik weet niet eens meer welke.

De schriftelijke uitdrukkingswijze is niet voor niets zo populair. In een boek, een gedicht, een brief kan iemand gewoon uitpraten, doordenken. In het echt zijn er allerlei redenen om dat niet te doen – het eten komt net op tafel, de telefoon gaat, iemand heeft een grappige inval of juist een hoestbui. En in het echt krijgen de gedachten ook veel moeilijker hun samenhang en formulering. Met als gevolg dat er ‘achter’ het gedicht of de roman vaak niemand zit, althans niet iemand die nog veel méér te bieden heeft dan wat je al gelezen hebt. De geest ligt helemaal niet zo open en bloot aan de oppervlakte.

‘Leven, verdomme!’ Wat bedoelde die studiegenoot daarmee? Het is al zo lang geleden, maar ik heb het altijd onthouden. Zou ik het in die tussentijd gedaan hebben, in zijn ogen? Of zou het pas leven zijn geworden als de reizen verder, de doden talrijker, de liefdes veelvuldiger waren geweest?

Elk leven is toch altijd een compleet leven, zeg ik in gedachten tegen hem. Met lichaam én geest, met een visje aan zee én met een boek dat een wereld voor je opent.

Misschien had hij niet moeten zeggen ‘leven’, maar ‘liefhebben’. Leven doe je vanzelf. Maar de liefde is nooit een hoofd dat op twee beentjes door de wereld gedragen wordt. Gedachten kunnen trouwens wát saai zijn en bepaald niet over elkaar heen buitelen in verrassende constellaties. Zbigniew Herbert wist dat wel: „het merendeel/ staat roerloos/ in het saaie landschap/ van grijze heuveltjes/ en verdorde bomen”. Maar soms dwalen ze terug naar een foto van twee jongens met schaatsen om hun nek. Degene die hem stuurde is al weer jaren dood.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.