Cultuur

Interview

Interview

Nico van Hasselt met zijn vrouw Ineke.

‘Was Nico maar in de oorlog gebleven’, zei zijn kille moeder

Nico van Hasselt (93) besloot in 1943 in een dodencel dat hij huisarts moest worden, als hij de oorlog zou overleven. Nog tijdens zijn detentie in Kamp Amersfoort zette hij zijn eerste injectie. „Vooral mijn moeder vond mij tegendraads.”

Elk mensenleven kent minstens één beslissend moment. Voor Nico van Hasselt (93) kwam dat moment toen hij de revolver van een Duitse soldaat pikte, in het voorjaar van 1943. „Zonder die ervaring was ik een verwaande kerel geweest”, zegt hij.

Van Hasselt komt uit een oud patriciërsgeslacht. Als oudste van drie kinderen werd hij geacht in de voetsporen van zijn vader te treden. „Bankier worden”, zegt hij. „Dat was mijn vooruitzicht. Ik was een Van Hasselt, hè. Daar keken mensen tegenop. Een Van Hasselt hoort bediend te worden.”

Tot afgrijzen van zijn ouders koos hij voor een dienend beroep: huisarts. Samen met zijn vrouw Ineke runt hij sinds 1960 een praktijk-aan-huis in Amsterdam. Zij neemt de telefoon aan. Hij houdt vanaf zeven uur ’s ochtends spreekuur en bezoekt daarna patiënten. Afgelopen jaar deed hij 9.500 consulten. De huisartsenpraktijk is 24/7 bereikbaar.

We zitten op de bank in hun huiskamer. Ouderwets knus, met staartklok, antiek bureau en een grote boekenkast. Mevrouw Van Hasselt serveert koffie met koekjes. Haar man vertelt over zijn kille ouders. „We lagen elkaar niet zo. Vooral mijn moeder vond mij tegendraads. ‘Was Nico maar in de oorlog gebleven’, zei zij een keer tegen mijn vrouw.” Hij is even stil. „Ze bedoelde: was hij maar niet levend teruggekeerd.”

Van Hasselt giechelt als dat soort pijnlijke kwesties ter sprake komt. Hij praat makkelijk over zijn gevoelens, maar sommige ervaringen heeft hij diep weggestopt. Zoals die keer dat een kapo in kamp Vught hem tegen de vlakte sloeg. „Daar praat ik liever niet over”, zegt hij.

We komen terug op het voorval met de revolver. Van Hasselt was negentien jaar en bezocht met twee bekenden, een jongen en een meisje, het zwembad in Apeldoorn. Hij vervoerde in die tijd verzetskranten op de fiets. En na het ontslag van de Joodse rector van zijn school had hij fel geprotesteerd. Maar een revolver stelen? „Ik dacht niet over de gevolgen na”, zegt hij. „Ik was te jong om bang te zijn.”

Van Hasselt liep langs de badrand toen hij de Duitse soldaat zag zwemmen. De man had zijn revolver in het kleedhokje achtergelaten. Een uitgelezen kans, want revolvers konden ze in het verzet goed gebruiken. Terwijl het meisje de soldaat afleidde, griste Van Hasselt het wapen uit het kleedhokje.

Een paar dagen later stonden er twee agenten voor de deur. „Ze vroegen of ik had gedaan wat ik had gedaan. Eh, nou, stamelde ik. ‘Zeg het nou maar’, zei de ene. ‘Dan ben je er vanaf’. Toen ik schuld bekende, namen ze me mee naar het politiebureau. Ik begrijp niet dat ik in hun val ben getrapt. Ik dacht dat ik de dans zou ontspringen.”

De jongen heeft hem naar alle waarschijnlijkheid verraden. Onvergeeflijk, vindt Van Hasselt, maar hij is er niet verbitterd of achterdochtig door geraakt. „Ik geloof nog altijd in het goede van mensen”, zegt hij. „En ja, dan word je wel eens teleurgesteld.”

Op het politiebureau werd Van Hasselt overgedragen aan de Sicherheidsdienst. Die stuurde hem door naar kamp Vught. Daar leerde hij dat rangen, standen en voorvaderen geen betekenis hebben. „Het gaat om wie je bént”, zegt hij. „Ben je een zak van een vent? Laat je je gebruiken? In kamp Vught deed je achternaam er niet toe. Daarom kon ik mezelf zijn.”

Hij veert op en kijkt een ogenblik zwijgend naar zijn vrouw. „Weet je wat ik mij laatst afvroeg? Hoe poepte ik in Vught? Veegde ik het met mijn vingers af? Ik neem aan dat er geen papier was…”

Ze trekt een vies gezicht. „Hè, bah, Nico. Hoe kom je daar nou bij?”

Hij haalt zijn schouders op. „Het komt gewoon in mij op. Veel dingen uit de oorlog ben ik vergeten.”

In Vught werd Van Hasselt bij de zwaarste categorie politieke gevangenen ingedeeld. Hij werd te werk gesteld bij het zogenoemde Philips-Kommando. Het electronicaconcern had anderhalf jaar lang een industriële werkplaats in het concentratiekamp, waar ruim drieduizend gevangenen scheerapparaten, knijpkatten en andere artikelen fabriceerden. Vele van hen werden in 1944 naar concentratiekampen Dachau en Auschwitz afgevoerd.

Van Hasselt wist tijdig te ontkomen. Op 14 juli 1943 reed er een volgeladen wagen van Philips het kamp in. Toen de vracht was afgeleverd, klom hij met een vriend in de laadruimte, en verstopte zich achter de laadklep. Een Duitser keek naar binnen, maar merkte de twee vrienden niet op. Van Hasselt vermoedt dat hij tegen de zon in keek.

De chauffeur was bereid een oogje dicht te knijpen, in ruil voor wat eten. Hij deed de grendel niet op de deur, maar die viel er tijdens de rit naar Eindhoven toch op. „Wij trapten tegen de deuren. De chauffeur hoorde het gebonk en kwam kijken. De Duitser gelukkig niet, die bleef voorin zitten. Toen we weer gingen rijden, zijn mijn vriend en ik er bij Woensel uit gesprongen.”

Na wat omzwervingen nam Van Hasselt de boot naar Engeland. Hij droeg zijn nette pak, want je wist maar nooit, misschien ontmoette hij de koningin. Hij zou de overkant nooit bereiken; na een paar uur brandde de motor door. Een Duits konvooi pikte de opvarenden op, waarna Van Hasselt in een Utrechtse dodencel belandde.

In de cel nam Van Hasselt een besluit: als hij de oorlog zou overleven, werd hij huisarts. Met een medegevangene besprak hij de zin van het leven. „We concludeerden dat we op aarde zijn om elkaar te steunen. Ik bad dat ik mocht meewerken aan een betere wereld.”

Meerdere keren in zijn leven heeft Van Hasselt geluk gehad. Waarom weet hij niet, maar het sterkte hem in de overtuiging dat hij het einde van de oorlog zou halen. Van de Utrechtse dodencel werd hij naar kamp Amersfoort overgebracht. Daar kreeg hij de leiding over een ziekenzaal met tachtig patiënten. „Ik heb mijn eerste injectie daar gegeven en doe het nog steeds op dezelfde manier.”

Vorige zomer vierde Nico van Hasselt zijn zestigjarig jubileum als huisarts. Dat hij zijn beroep zo lang kon uitoefenen, is een wonder. Als het aan het Amsterdamse ziekenfonds ZAO had gelegen, was hij op zijn 65ste gestopt met werken. „Ze hebben er alles aan gedaan om mij de nek om te draaien”, zegt hij. „Zo’n 1.100 ziekenfondspatiënten werden me afgenomen, ik mocht geen recepten meer uitschrijven. Ze hebben zelfs ziekenhuizen bericht dat ik niet meer bestond! Zorgverzekeraars zijn maffiosi, weet u.”

Zestien jaar lang voerde hij een juridische strijd. Het ZAO vond dat artsen boven de 65 jaar minder kwaliteit leveren. Maar toen de rechter om bewijs vroeg, bleef het stil. „In de medische wereld werd ik een outcast”, zegt Van Hasselt.

„Maar toen de Commissie Gelijke Behandeling mij in 2005 in het gelijk stelde, probeerden dezelfde instanties die mij hadden tegengewerkt, met de eer te strijken. ‘We’ hebben gewonnen, schreef de voorzitter van de Landelijke Huisartsen Vereniging. Hij had geen poot uitgestoken.”

Van Hasselt is nog steeds in verzet, beaamt hij. Niet om anderen te jennen, maar omdat hij gelooft in de zaken waarvoor hij strijdt. Zo vindt hij het onacceptabel dat bewoners van verpleeghuizen geen vrije huisartsenkeuze hebben. Toen een van zijn patiënten werd opgenomen op een revalidatieafdeling – en daarom geen beroep meer op zijn huisarts mocht doen – schakelde Van Hasselt een advocaat in. „Sindsdien word ik getolereerd”, zegt hij. „Verpleeghuizen kennen mijn standpunt.”

„Nico heeft een ijzersterk karakter”, zegt zijn vrouw. Maar soms raakt zelfs hij uit evenwicht. Zo voelde Van Hasselt zich „tamelijk verloren” toen zijn vrouw drie jaar geleden een hartaanval kreeg, thuis op de bank. Hij belde 112, in het ziekenhuis kreeg zij een hartstilstand. Ineke van Hasselt werd gereanimeerd en gedotterd, maar loopt nog altijd moeilijk. „Hij redt zich wel als ik er niet meer ben”, denkt zij. Haar man ontkent: „Ik kan het niet alleen.”

Vorig jaar werd zijn huisartsenregistratie met twee jaar verlengd. Van Hasselt voelt zich fit en kundig genoeg om de termijn vol te maken, maar daarna legt hij zijn stethoscoop voorgoed in een la. „Huisarts is geen beroep, maar een manier van leven”, zegt hij. „Je bent het 24 uur per dag.”