Geen nieuwe kunsteredivisie op 70ste Holland Festival

Analyse

Veel van de hoogtepunten op het Holland Festival waren er ook zonder het festival geweest. De Proms bleken opnieuw een meesterzet.

Wél een goede voorstelling: Salome met Malin Byström en Doris Soffel. Foto Baus

Zeventig jaar bestaat het Holland Festival. Zeven decennia bracht het podiumkunst van wereldfaam versus vernieuwend aanbod. Al die jaren moest het festival hard zijn best doen om het al rijke podiumkunstenaanbod af te troeven met een programmering die toch vernieuwender, avontuurlijker en internationaler is – voor een beperkt budget.

Met directeur Ruth Mackenzie, die volgend jaar afscheid neemt, zet het festival in op lagere drempels voor hoge kunst, soms met wat hulp van klinkende namen. Dat pakte deze editie wisselend uit. Naast het geweldige Manifesto met Cate Blanchett was er het tegenvallende Obsession met Jude Law. Naast het succes van stertenor Jonas Kaufmann de teleurstelling van het hol pretentieuze Democracy in America van festivalvertrouweling Romeo Castellucci.

Het Holland Festival slaagde er dit jaar niet in te verrassen met verse internationale namen. Een nieuwe kunsteredivisie openbaarde zich niet en de voorstellingen die het meeste indruk maakten (The Nation, Salome, Manifesto) zouden buiten het festival waarschijnlijk ook gemaakt zijn.

Wereldformaat

Maar één meesterzet zal Ruth Mackenzie zeker overleven: de Proms in het ontstoelde Concertgebouw, met vijf concerten van een uur, alle voor een tientje toegankelijk. De Proms waren dit jaar behalve goed bezocht ook een festivalhoogtepunt, omdat vernieuwing, topkwaliteit en toegankelijkheid er op een intelligente manier bij elkaar kwamen. De pianobroers Jussen leverden met hun uitvoering van Stockhausens Mantra een prestatie van wereldformaat. Kate Moores Sacred Environment was al evenzeer overrompelend.

Lees ook de recensie van Holland Festival Proms: ‘Mantra’ door gebroeders Jussen is klapstuk van HF Proms

Sacred Environment van componist Kate Moore, een oratorische lofzang op de Australische wildernis voor sopraan, koor, didgeridoo en orkest. Foto Ada Nieuwendijk

Muzikaal was het een sterke, afwisselende festivaleditie met gewaagde keuzes. Zoals die voor focusland Indonesië, goed voor de ene na de andere act met smoel en branie. Ook de concerten rondom festivalcomponist George Crumb stelden niet teleur. Minder avontuurlijk, maar wel bijzonder was het optreden van stertenor Jonas Kaufmann. Verbazingwekkend dat juist zó’n evenement dan niet uitverkoopt (wellicht was het voor Nederlandse begrippen te duur).

Muziektheatraal was het een ander verhaal. Zowel aan The Naked Shit Songs van de Nederlandse componiste Huba de Graaff als aan de opera Octavia: trepanation van de Russische componist Koerljandski lag een origineel thema ten grondslag, maar in beide gevallen ging de uitwerking mank aan een gebrek aan plot en muzikale substantie. Memorabel daarentegen waren de producties in samenwerking met De Nationale Opera: Pierre Audi’s pionierend ruimtelijke enscenering van de Mariavespers van Monteverdi en de imposante Salome in regie van Ivo van Hove met het Concertgebouworkest onder leiding van chef Gatti, bij de live gestreamde videovertoning in Park Frankendael bovendien gezien door een jong publiek van 6.000 man.

Maar eerlijk is eerlijk: die producties waren er zonder het Holland Festival ook geweest.

Lees de recensie van Salome: Een sensuele, ingetogen ‘Salome’

Theater

Beeld uit The Nation. Foto Sanne Peper

Dat gold ook voor de hoogtepunten op het gebied van theater: Het Nationale Theater met de eerste drie delen van het meeslepende The Nation van Eric de Vroedt en Dries Verhoevens spannende installatie Phobiarama. Het Holland Festival is ongetwijfeld een hefboom geweest bij het tot stand komen van deze topproducties door bij te dragen aan de kosten, maar van het festival mag daarnaast toch ook allure op het internationale vlak worden verwacht. En die bracht eigenlijk alleen de Canadese veteraan Robert Lepage met zijn technisch ingenieuze voorstelling 887.

Er stonden dieptepunten tegenover van de grote internationale namen. Naast Castellucci was ook het National Theatre of Great Britain een domper: My Country bleek een stijfjes geacteerde en geregisseerde litanie van klachten van gewone mensen over de staat van hun land. Van de Congolese maker Dieudonné Niangouna was na een eerder fiasco een nieuwe aflevering van een theatertrilogie geprogrammeerd. Daar zat niemand op te wachten.

Dans

Bij de dans liep het langs dezelfde lijnen: een uitstekende Shostakovich Trilogy door Het Nationale Ballet tegenover teleurstellende prestaties van buitenlandse choreografen, zoals Alain Platels zwakste werk in jaren (Nicht Schlafen), een tegenvallende Rito de Primavera en FLEXN, waarin de zegen van mastodont Peter Sellars geen garantie bleek voor gelaagdheid of strakke regie.

In de nieuwe organisatiestructuur van het festival is zakelijk directeur Annet Lekkerkerker gepromoveerd tot algemeen directeur. De artistiek directeur wordt een ‘artistiek leider’, die onder de directie werkt. De vraag is of die herindeling het festival de noodzakelijke bezinning op de koers gaat brengen.