Column

Géén goed nieuws uit Israël voor de Libanese burgers

Carolien Roelants is Midden-Oostenexpert en scheidt op deze plaats elke week de feiten van de hypes.

Beeld uit de Tweede Libanese oorlog: de shi'itische wijk Dayiha van Beiroet in puin Foto EPA

Ik heb goed nieuws voor de bevolking van Libanon, zei de commandant van de Israëlische luchtmacht vorige week op de jaarlijkse veiligheidsconferentie in Herzliya. En dit was dat goede nieuws van generaal-majoor Amir Eshel: dat de Libanese burgers massaal zullen mogen vertrekken uit hun huizen „voor een gebeurtenis begint”. Gebeurtenis zijnde de volgende Israëlische oorlog tegen de Libanese organisatie Hezbollah. Die oorlog zal keihard zijn, met meteen op de eerste dag aanvallen op duizenden doelen. Als de burgers dan niet weg zijn, lopen ze gevaar „bijkomende schade” te worden.

Ja, dat is nog eens goed nieuws!

Doelwit van die nieuwe oorlog is het militaire netwerk dat Hezbollah onder de grond heeft aangelegd, en de militaire aanwezigheid van de beweging in – volgens Israël – 240 dorpen en stadjes in Zuid-Libanon. Dat is in strijd met resolutie 1701 van de VN-Veiligheidsraad, zegt Israël, die Hezbollah verbiedt wapens op te slaan ten zuiden van de rivier de Litani.

Als u even met mij op de kaart kijkt: het lijkt uitgesloten dat daar 240 dorpen en stadjes liggen. Maar Hezbollah heeft er zonder twijfel verboden wapens liggen.

„Wat we tijdens de tweede Libanese oorlog in 34 dagen konden doen, kunnen we nu in 48 uur”, zei generaal Eshel. Tweede Libanese oorlog, weet u nog wel, 1.100 Libanese doden, vooral burgers, en zo’n 2,5 miljard dollar aan schade aan de infrastructuur.

Generaal Eshel zei niet hoe hij minimaal honderdduizenden burgers weg krijgt uit hun huizen zonder dat Hezbollah begrijpt dat er een offensief ophanden is. Of waar die honderdduizenden eigenlijk naar toe moeten in een landje een kwart van Nederland, waar behalve 4,5 miljoen Libanezen nog zo’n 1,5 miljoen Syrische vluchtelingen leven.

Hetzelfde evacuatieverhaal werd in Herzliya verteld door generaal Gadi Eizenkot, stafchef van de strijdkrachten. Hij sprak in termen van „normen en waarden”. „We moeten de wettigheid bewaren in de strijd.”

Eizenkot is van de Dahiya-doctrine. Dahiya is de shi’itische woonwijk in het zuiden van Beiroet waar Hezbollah zijn hoofdkwartier heeft en die in die oorlog in 2006 zwaar werd beschadigd. „Wat er in het district Dahiya gebeurde, zal gebeuren in elk dorp vanwaaruit Israël wordt beschoten”, aldus Eizenkot in 2008.

„We zullen disproportioneel geweld gebruiken en zware schade en verwoestingen aanrichten. [...] De bevolking schade berokkenen is de enige manier om [Hezbollahleider] Nasrallah in te perken.”

Disproportioneel geweld. Mag helemaal niet van het internationaal oorlogsrecht, maar wat geeft dat als het Westen je bondgenoot is. Ik herinner me dat de VS en veel Europese landen Israël in 2006 lange tijd lieten begaan om te kijken of Hezbollah – immers op internationale terroristenlijsten – doorslaggevende schade kon worden toegebracht. Pas toen duidelijk werd dat Hezbollah niet bezweek, dwong de buitenwereld Israël een einde te maken aan de oorlog.

Waarom nu al die onverhulde dreigementen, hoor ik u vragen. Hezbollah met zijn grote rakettenarsenaal is een gevreesde vijand, te meer nu zijn manschappen veel gevechtservaring opdoen in de oorlog in Syrië naast het regime van Assad, Rusland en Iran. De uitspraken van de Israëlische generaals zijn bedoeld om Hezbollah af te schrikken van enig avontuur, vanuit Libanon of in Syrië.

Hezbollahleider Nasrallah zit ook in de afschrikkingsbusiness. Vrijdag waarschuwde hij Israël dat „duizenden, ja honderdduizenden jongeren uit de hele Arabische en islamitische wereld” komen meevechten in het geval van oorlog.

Oorlog zit in een piepklein hoekje. En die wordt hoe dan ook géén goed nieuws voor de Libanezen.