De pijn in Colombia is nog overal voelbaar

Ontwapening FARC

Als het goed is, hebben de strijders van de FARC hun wapens ingeleverd. Maar in de hoofden en de harten is de oorlog niet voorbij, blijkt in Icononzo.

Diego Navarro

Als voormalig FARC-strijdster Juana Alape ’s ochtends wakker wordt in haar groene coleta, haar tent, grijpt ze onmiddellijk naar haar geweer. Een automatisme, vertelt ze: zestien jaar lang droeg ze haar wapen bij zich. „Ik nam het overal mee naar toe en ’s nachts lag het naast mijn bed. Nu ik mijn geweer heb ingeleverd, voelt het alsof mijn arm is geamputeerd.”

De 34-jarige guerrillero leeft sinds februari samen met ruim driehonderd medestrijders in een van de 26 zogenoemde zonas veredales transitorias (overgangszones): speciaal ingerichte kampen waar de in totaal ruim zevenduizend overgebleven FARC-strijders zijn ondergebracht sinds de Colombiaanse regering en de marxistische guerrillabeweging in november een vredesakkoord tekenden. In het akkoord zijn onder meer afspraken gemaakt over ontwapening en berechting van de guerrillero’s en over de herverdeling van de landbouwgrond. Deze dinsdag is de laatste dag waarop de wapens kunnen worden ingeleverd. Maandag lieten de Verenigde Naties al weten dat de overdracht van wapens was afgerond: 7.132 wapens zijn nu opgeslagen op een veilige plaats.

Het kamp Antonio Nariño, vernoemd naar een van de grondleggers van de onafhankelijkheidsstrijd, ligt vlakbij het stadje Icononzo, ten zuiden van Bogotá. Toen Juana de heuvels opklom en zich settelde in het hooggelegen kamp, werd haar wapen geregistreerd, in beslag genomen en bewaard in een speciaal depot in het kamp. De bedoeling is dat alle ingeleverde wapens worden omgesmolten tot herdenkingsmonumenten, als symbool voor het einde van ruim vijftig jaar bloedige strijd.

Ik richt me op mijn toekomst zonder wapens en oorlog

Maar of alle wapens daadwerkelijk worden ingeleverd, is de vraag. Want hoeveel wapens de FARC exact heeft, is onduidelijk. De zevenduizend strijders hebben ten minste ieder één geweer dat ze hebben moeten afstaan. Maar critici menen dat de FARC, in 2014 door het Amerikaanse zakenblad Forbes nog bestempeld tot de derde rijkste terroristische groepering ter wereld met een jaarlijks vermogen van 600 miljoen dollar, veel meer wapens bezit. Ze zouden, verspreid over het hele land, zijn begraven of zijn ondergebracht in buurland Venezuela.

„Ik richt me op mijn toekomst zonder wapens en oorlog. Ik wil mijn studie grafische vormgeving afronden. Ik ben daarmee gestopt toen ik me in 2001 aansloot bij de FARC en de jungle in trok om mee te vechten voor een beter Colombia”, zegt Juana. Ze zit onder het dak van een gemeenschapstent midden in het kamp. Het regent al dagen onafgebroken, maar de guerrillero’s, gewend aan het onvoorspelbare Colombiaanse weer en het harde jungleleven, bewegen zich soepel op hun zware kaplaarzen over het modderige terrein. „We leven hier op dezelfde manier als vroeger in de jungle, alleen nu zonder uniformen en geweren”, zegt Juana, en ze trekt haar wollen muts met afbeelding van Che Guevara recht.

Het is de bedoeling dat ze over enkele maanden met haar medestrijders vertrekt naar een permanente plek met stenen huizen die verderop worden gebouwd. Ook burgers uit de streek mogen zich in deze speciale ‘FARC-dorpen’ vestigen.

Niemand wil natuurlijk veroordeeld worden, maar dit is nu eenmaal de afspraak en we willen ook in het reine komen met de bevolking

De ontwapening van de FARC is een historische stap. De bloedige oorlog, in de jaren zestig ontstaan als strijd tegen de ongelijke verdeling van grond en kapitaal, heeft vijf decennia geduurd en aan meer dan 200.000 mensen het leven gekost.

Na de definitieve ontwapening zal de FARC zich verder omvormen tot een politieke partij en moeten de guerrillero’s zich voor een waarheidscommissie of vredestribunaal verantwoorden voor hun daden. Er worden geen gevangenisstraffen uitgedeeld, maar maatschappelijke straffen tot maximaal acht jaar, waarbij de guerrillero’s taakstraffen moeten verrichten.

„Niemand wil natuurlijk veroordeeld worden, maar dit is nu eenmaal de afspraak en we willen ook in het reine komen met de bevolking”, zegt Gregory Morales, een van de leiders in het kamp. Zelf zou hij graag deel uitmaken van de toekomstige politieke partij van de FARC.

Lucratieve cocaïnehandel

Maar terwijl de guerrillero’s de toekomst omarmen, is van werkelijke vrede en stabiliteit in Colombia nog lang geen sprake. De FARC-strijders zitten weliswaar in kampen en hebben toegezegd zich terug te trekken uit de drugshandel, maar nu proberen talloze andere criminele bendes en paramilitaire groeperingen dit gat op te vullen. Ze willen de macht over de cocaboeren en zijn uit op de lucratieve cocaïnehandel.

De groepen ultrarechtse paramilitairen werden opgericht door grootgrondbezitters om zich te beschermen tegen aanvallen van FARC-strijders. In 2003 ontwapenden ze officieel, en later werd een vredesakkoord gesloten onder leiding van oud-president Uribe, die zelf altijd beschuldigd is van warme banden met paramilitairen. Maar in werkelijkheid verdwenen ze nooit geheel van het toneel: wat rest zijn diverse criminele groeperingen die zich ook met de omvangrijke drugshandel bezig houden.

En die is fors: de cocaïneproductie in Colombia is in lange tijd niet zo booming geweest als nu. De strijd om grond en controle over gebieden waar cocabladeren groeien, heeft in de maanden na het vredesakkoord al aan vele tientallen boeren het leven gekost. „Vooral de paramilitairen maken zich schuldig aan grootschalige mensenrechtenschendingen”, schrijft Amnesty International in een recent rapport.

Bekijk de fotoserie van FARC-strijders voor en na: in uniform en in burgerkleding

Ontvoeringen

Stabiel is Colombia ook nog niet zolang er geen vrede is gesloten met die andere guerrillagroep: het Nationaal Bevrijdingsleger (ELN). Met zo’n tweeduizend actieve strijders is het ELN na de FARC de grootste guerrillabeweging in Colombia. De marxistisch-leninistische organisatie is ook al meer dan vijftig jaar in oorlog met de staat, en voert vooral in het noorden een gewapende strijd. De ontvoering van Spoorloos-presentator Derk Bolt en zijn cameraman Eugenio Follender afgelopen week illustreert hoe onveilig Colombia nog kan zijn.

„Zolang er geen controle is over de paramilitaire groeperingen en er geen vrede is gesloten met het ELN, is Colombia niet stabiel”, zegt de in Bogotá woonachtige Nederlandse expert Liduine Zumpolle, directeur van Manos por la Paz Internacional (Handen voor de Vrede). Haar organisatie zet zich in voor voormalige FARC-strijders die zich al ver voor het vredesakkoord overgaven.

Zolang er geen controle is over de paramilitaire groeperingen en er geen vrede is gesloten met het ELN, is Colombia niet stabiel

In hetzelfde weekend van de ontvoering van Bolt en Follender werd Bogotá opgeschrikt door een bomaanslag in een luxe winkelcentrum. „Iedereen dacht direct aan het ELN, maar dit ontkent betrokkenheid. De aanslag kan ook het werk zijn van een van de ultrarechtse groeperingen uit militaire hoek. Het wemelt momenteel van verschillende bendes, waarover de overheid geen gezag heeft. Dat maakt de situatie zo dreigend. Er is hier nog lang geen vrede”, zegt Zumpolle.

In het stadje Icononzo, buiten het FARC-kamp in de bergen, is deze dreiging voelbaar. Bij het kerkplein is ophef ontstaan over pamfletten die onbekenden hebben uitgedeeld. „Een boodschap van de paramilitairen: ‘We komen eraan’”, zegt een vrouw die bij een kraampje popcorn koopt, op angstig toon. Icononzo kent een bloedige geschiedenis: het stadje is in het verleden zowel door linkse FARC-strijders als rechtse paramilitairen geterroriseerd. Die bloedige geschiedenis heeft diepe wonden geslagen – tekenend voor de fragiele situatie in grote delen van het land, ondanks het vredesakkoord met de FARC.

Ik wil gerechtigdheid

„Veel inwoners beschouwen beide partijen als de vijand”, zegt Fernando Ramirez, ambtenaar van de burgerlijke stand. Hij bereidt zich in zijn kantoortje voor op de komst van tientallen oorlogsslachtoffers die ook vandaag weer hun verhaal komen doen. „Ik teken hun getuigenissen op voor de Waarheidscommissie”, zegt hij. Dertig tot veertig slachtoffers per dag zitten aan zijn tafel en vertellen hem de meest gruwelijke verhalen. „Ik heb dossiers van bijna achthonderd slachtoffers uit de omgeving. Verkrachtingen komen het meeste voor”, zegt hij.

Op een houten bank beneden wacht Maria Gutierez (52). Ze is naar het kantoor van Ramirez gekomen namens zichzelf en haar dochter. „In 2010 stormden guerrillero’s van de FARC ons huis binnen, ze wilden onderdak en eten. Ik was alleen thuis met mijn dochter. Ik ben een dag lang verkracht door vier mannen en mijn dochter is ontvoerd.” Dagen later kwam ze thuis, vies, onder het bloed, maar ze heeft nooit een woord erover willen vertellen. „Ik wil gerechtigheid, dit zijn monsters”, zegt Maria met verstokte stem.

Ik wil gerechtigheid, dit zijn monsters

De vrede mag dan op papier getekend zijn, in de hoofden en harten van de slachtoffers, zoals Maria, is de oorlog nog lang niet voorbij. Het idee dat op nog geen half uur bij haar vandaan de guerrillero’s in een kamp zijn ondergebracht maakt haar boos en verdrietig. „Ze worden in de watten gelegd, krijgen een nieuwe toekomst en wij?” Als ambtenaar Fernando Ramirez haar roept, staat ze op en loopt zwijgend de trap op.

Familiedag

Tegenover het bittere verdriet van de slachtoffers staan de hoopvolle verwachtingen van de voormalige strijders over een vreedzame toekomst. „Wil je nog koffie?” Een jonge vrouwelijke guerrillero, hoogzwanger, schenkt koffie in een blikken beker. Het is vandaag familiedag in het FARC-kamp en ouders, broers en zussen van ex-strijders zijn op bezoek. Overal op het terrein zitten groepjes voormalige strijders innig gearmd en diep in gesprek met hun familieleden. Ze drinken koffie, doen spelletjes en voetballen op een hoger gelegen stenen platform met adembenemend uitzicht over de diepgroene heuvels.

Jeilmer Garcia (20) trapt de bal naar een groepje Indiaanse guerrillero’s en een vurig spel barst los. Hij vindt de familiedagen confronterend, zegt hij, als hij zich na de voetbalwedstrijd bezweet heeft teruggetrokken in een geïmproviseerde bibliotheek in een van de tenten. Sinds zijn twaalfde, toen hij zich bij de FARC aansloot, heeft hij geen contact meer gehad met zijn ouders. „Ik kom uit de Amazone, aan de grens met Brazilië. Vanaf mijn zesde moest ik mijn ouders helpen. Op een dag kwamen er in ons dorp twee vrouwen van de FARC om les te geven. Ze spraken veel over de wereld, dat wekte mijn interesse en ik heb me aangesloten.”

Zijn geweer heeft Jeilmer niet meer. Medewerkers van de Verenigde Naties kwamen twee weken geleden langs om alle wapens in het depot mee te nemen en stuk voor stuk werden de geweren in stalen kisten geplaatst en meegenomen. Hij mist zijn wapen niet, hij heeft genoeg afleiding door sociale media. „We hebben hier toegang tot internet en ik heb via Facebook een neefje gevonden die nog steeds in mijn geboortestreek woont. We mogen nu het kamp nog niet uit, maar zodra dat wel kan, wil ik op zoek gaan naar mijn ouders.”