Opinie

Bedenktijd bij overname is verspilde tijd

Sentiment is een slechte raadgever in de discussie over bedrijfsovernames. Het plan-Kamp – extra bedenktijd – heeft meer na- dan voordelen, schrijft .

Als het aan minister Henk Kamp (Economische Zaken, VVD) ligt, krijgen Nederlandse bedrijven een extra wapen tegen buitenlandse overnamepogingen: een wettelijke ‘bedenktijd’ van een jaar. In die periode kunnen ze pogingen van aandeelhouders om over een bod te vergaderen of te stemmen over zo’n bod naast zich neer leggen, is het idee. Woensdag debatteert de Tweede Kamer over Kamps plan.

Directe aanleiding van de discussie was een mogelijk Amerikaans bod op Unilever en vooral de strijd rond AkzoNobel. De Tweede Kamer moet echter niet meegaan in een ‘oranjegevoel’ maar de tijd nemen om de problemen rond de voorstellen goed te begrijpen.

Het bedenktijdvoorstel is gebaseerd op twee gedachten, die beide onjuist zijn. De eerste is dat Nederlandse bedrijven zich nu niet zouden kunnen beschermen tegen zogenaamde vijandige overnames. De uitkomst van de AkzoNobel-zaak laat juist het tegendeel zien, zelfs als een bieder er een premie van 50 procent per aandeel voor over heeft. Het Amerikaanse PPG besloot om de overnamepoging niet door te zetten.

De tweede gedachte is dat andere landen hun ondernemingen beter beschermen. Daarbij wordt vooral verwezen naar de Verenigde Staten. Los van het feit dat Nederlandse ondernemingen voor Europese begrippen al veel beschermingsmaatregelen kennen, gaat ook de vergelijking met de VS niet op. De veronderstelde beschermingsconstructies blijken daar in de praktijk niet meer te werken. Organisaties op het gebied van corporate governance (goed ondernemingsbestuur) zijn tegen zulke constructies en bestuurders vrezen dat het activeren ervan hen onherkiesbaar maakt. Daarnaast lopen bestuurders van Amerikaanse ondernemingen een groot persoonlijk risico door mogelijke collectieve aandeelhouderclaims.

Lees ook: Nederlandse bedrijven moeten beter beschermd worden tegen overnamepogingen, vindt bijvoorbeeld minister Kamp. Onnodig, zeggen anderen.

Maar het echte probleem is de bedenktijd zelf. De nadelen hiervan zijn veel groter dan de mogelijke voordelen. In de praktijk hebben Nederlandse ondernemingen namelijk al ruim de tijd om zich te verweren tegen ongewenste overnames.

De meeste beursgenoteerde bedrijven hebben een draaiboek klaarliggen, dat regelmatig aangepast wordt op basis van marktontwikkelingen. Vervolgens heeft een onderneming enkele maanden om haar plannen in werking te zetten. Dat begint met een periode waarin de bieder probeert in vertrouwelijkheid te overleggen met het over te nemen bedrijf. Na de openbaarmaking van de toenaderingspoging beginnen wettelijke termijnen te lopen. Die fase duurt typisch ook meerdere maanden.

Wanneer het bod ten slotte is uitgebracht, geldt een aanmeldingsperiode van acht tot tien weken. En die kan weer verlengd worden als toezichthouders meer tijd nodig hebben. De aldus beschikbare periode geeft een goed voorbereide onderneming genoeg tijd om de plannen van de bieder en mogelijke alternatieven te analyseren, en om overleg te voeren met haar aandeelhouders en andere betrokkenen.

Bijna alle beursgenoteerde ondernemingen kunnen de zeggenschap van een nieuwe aandeelhouder om het bestuur of de strategie te wijzigen zwaar beperken. Dat blijft ook na de bedenktijd zo, waardoor het mogelijk wordt dat een ‘doelvennootschap’ de bieder zelfs na verloop van de bedenktijd nog eens één à twee jaar op afstand houdt.

Tot nu toe is de discussie te veel beïnvloed door een oranjevoel: Nederlandse bedrijven moeten Nederlands blijven

Eind mei oordeelde de Ondernemingskamer dat AkzoNobel niet hoeft te onderhandelen met PPG, zoals een groep aandeelhouders had geëist. Die uitspraak toont dat een Nederlands beursgenoteerd bedrijf nu al de tijd kan nemen om een alternatieve strategie uit te voeren. Dan hebben we geen behoefte aan nog een periode waarin bestuur en raad van commissarissen van zo’n bedrijf inhoudelijk overleg met aandeelhouders – en rechterlijke toetsing – kunnen vermijden.

En hoewel de bedenktijd wordt gepresenteerd als adempauze, verbiedt Kamps voorstel niet dat de doelvennootschap deze tijd gebruikt om met andere plannen of acties het bod te ondermijnen. Dit kan niet de bedoeling of uitkomst van een goed functionerend corporategovernancesysteem zijn.

Los van de principiële vragen die dit soort lange periodes oproepen, spelen er belangrijke praktische kwesties. Een biedingsstrijd betekent een enorme afleiding voor het management en creëert onrust bij het personeel, klanten, leveranciers en financiers. In de meeste landen beogen de biedingsregels de periode van onrust zo kort mogelijk te houden. Waarom zouden we die periode van onzekerheid in Nederland dan juist willen verlengen? Daarnaast zullen Nederlandse ondernemingen ook in staat moeten blijven om nieuwe aandelen te plaatsen op de internationale kapitaalmarkten. Zij hebben er geen belang bij dat de reputatie van de Nederlandse kapitaalmarkt op het spel wordt gezet.

Er speelde geen vergelijkbare commotie rond de ongevraagde toenadering van NN tot Delta Lloyd. Die overname zal óók gevolgen hebben voor de werkgelegenheid. Daarnaast wordt nauwelijks aandacht besteed aan overnames door buitenlandse bedrijven die juist gunstig hebben uitgepakt voor de Nederlandse economie.

Tot nu toe is de discussie te veel beïnvloed door een oranjevoel: Nederlandse bedrijven moeten Nederlands blijven. Het is te hopen dat de Kamerleden zich in het aanstaande debat niet laten meeslepen door deze sentimenten. Nederland profiteert als weinig andere landen van een open economie. En hoewel we allemaal graag zien dat hoofdkantoren, werkgelegenheid en onderzoek in Nederland behouden blijven, moeten we maatregelen die protectionistisch van aard zijn, of voor die doeleinden kunnen worden ingezet, vermijden.

Een kortetermijnreactie van de wetgever op basis van enkele pogingen om Nederlandse bedrijven over te nemen, is niet in het belang van de Nederlandse economie. De wetgever kan zijn aandacht beter richten op de andere lopende discussie met betrekking tot overnames, namelijk de controle op bepaalde sectoren van de economie die cruciaal zijn voor de openbare orde, zoals defensie.