Ze schilderde de mensen zoals ze waren

Marike Bok (1943–2017) maakte portretten zoals weinig kunstenaars dat nog doen: zonder foto’s. Ook koningin Beatrix ‘zat’ voor haar.

Kunstschilder Marike Bok, links als 16-jarige en rechts in haar atelier. Foto rechts Hein Mevissen

‘Ik weet niets van kunst”, zei Marike Bok met een lach, tijdens een rondleiding door haar atelier in de Haagse binnenstad. „Ik maak gewoon wat ik mooi vind.”

Ze portretteerde graag. Bok schilderde politici: Ruud Lubbers, Max van der Stoel, Jeltje van Nieuwenhoven. En ze maakte een bekend groepsportret van de ‘Herenclub’, een select gezelschap schrijvers, politici en kunstenaars: Harry Mulisch, Adriaan van Dis, André Spoor, Cees Nooteboom, Gerrit Komrij. Haar portretten hangen in universiteiten, rechtbanken en in het Vredespaleis.

Op 12 juni overleed Marike Bok, op 74-jarige leeftijd. Ze had vier kinderen en één grote liefde, de Haagse kunstenaar Rinus van den Bosch, die ze ontmoette op haar 36ste. Ze waren zeventien jaar samen en deelden alles: leven, werk en het atelier. Van hem leerde ze veel.

Van den Bosch kwam uit een arm, ruw maar liefdevol gezin in de Haagse Schilderswijk. Hij had zelf zijn talent voor tekenen en schilderen ontwikkeld en gaf les aan de Kunstacademie. Zijn werk werd aangekocht door onder meer museum Boijmans Van Beuningen en het Stedelijk. Marike Bok kwam uit een heel ander milieu, zij was de dochter van een vliegtuigbouwkundige die bij Fokker en TNO werkte. Rinus overleed toen zij 53 was.

Bok maakte portretten zoals vrijwel niemand ze nog maakt. „Ik werk nooit naar foto’s”, zei ze. „Ik spreek met iemand af dat hij of zij drie maal een uurtje komt poseren. Meestal is dat genoeg. We praten wat en tussendoor werk ik door op basis van mijn geheugen.”

Ook toen koningin Beatrix in 1995 poseerde was zij de enige die ter plekke een schets maakte. Andere kunstenaars kwamen met hun fototoestel – klik, klik, klik – en vertrokken weer. Beatrix bleef een kwartier langer voor haar zitten.

Bok bracht die dag ook de groeten over van Rinus van den Bosch, die in 1973 Beatrix’ moeder Juliana had geportretteerd. Op haar 35ste had Beatrix Rinus ontmoet tijdens een tentoonstelling op Drakestein. Hij had gedronken en haar een klap op de billen gegeven: „Ha, die Trix”. Beatrix was dit blijkbaar niet vergeten en zei tegen Bok: „Doe de hartelijke groeten terug aan die vriendelijke heer Van den Bosch.”

Bok had grote bewondering voor haar vader. Hij tekende en ontwierp en bouwde zijn eigen boten. Alles wat hij maakte, ging langer mee dan een leven. Zo ook de schildersezel, het palet en plateau dat hij voor zijn dochter maakte, waar 36 jaar lang modellen op stonden, lijsten en spierramen. Het staat er nog steeds.

Bok tekende van jongs af aan. In haar tienerjaren naaide ze mantelpakjes en baljurken en maakte ze serviezen en stillevens. Ze studeerde twee jaar aan de Koninklijke academie in Den Haag, maar werd vervolgens opgeslokt door huiselijke bezigheden. Het eerste huwelijk met haar toenmalige man – ze kregen vier kinderen – strandde in de jaren zeventig.

Rinus van den Bosch leerde ze kennen toen hij haar les gaf. Hij zag meteen dat zij talent had en noemde haar ‘Bokjebof’ omdat ze zo goed kon waarnemen en alles onthield. Hij vond dat zij ook les moest geven en meldde zich geregeld ziek op de academie zodat zij hem kon vervangen. Bok ging werken in zijn atelier en trok daar later met haar twee jongste kinderen bij hem in.

Bok gaf les aan zestig leerlingen per week. Ze vond het leuk als mensen plezier in het schilderen kregen en verder kwamen dan ze verwachtten.

Wie ze portretteerde maakte haar niet uit – ze vond elk mens interessant. Vlak voor haar dood zei ze: „Waarnemen was wat ik al die jaren het liefste deed. Door de werkelijkheid op papier of doek te spiegelen, neem ik waar.”

In januari 2016 kreeg Bok een hersenbloeding. Haar motoriek – essentieel voor haar vak – werd met de dag slechter. „Marike was voorstander van zelfbeschikking en wilde kwaliteit van leven, niet kwantiteit”, vertelt haar dochter Diederiekje. „Sommige mensen vinden het dapper dat je niet bang bent voor de dood. Maar zij zei: ‘Weet je wat dapper is? Dat je je laat afglijden langs de waterval van het leven. Eindigend in een afhankelijke situatie. Ik moet er niet aan denken.’”

Bok wilde geen afscheid, bloemen of kaartjes. Onzin, vond zij. Sterven was voor haar de normaalste zaak van de wereld. Haar lichaam is ter beschikking gesteld aan de wetenschap. In september verschijnt een boek over haar werk.

    • Frederiek Weeda