Na de les nog even de vloer aanvegen

Basisonderwijs

Komende week wordt er gestaakt in het basisonderwijs. Hoe gaat het eraan toe in de klassen? En wat is het probleem voor leerkrachten? NRC liep drie keer een dag mee, op drie scholen. ‘Heb je wel ontbeten?’

Woensdagochtend, 07.25 uur. Kleuterjuf Mariëlle Urselmann bereidt thuis haar lessen voor. Foto's Bram Petraeus

Mariëlle Urselmann

Montessorischool, Zeist

Kleuterklas, 28 leerlingen

Werkt 4 dagen per week

Stop, stop, stop met jagen

Zo gaat alles naar de haaien

Stop, stop, stop met jagen

Op het podium in de theatertuin van slot Zeist doet een kleuter hard haar best om een Kinderen voor Kinderen-liedje in de maat te zingen. Het is het jaarlijkse zomeravondconcert van de Montessorischool. Het gaat goed, constateren twee moeders in het publiek. „Ze kent het tweede couplet ook”, zegt de een. De ander: „Had niet anders verwacht.”

Een paar rijen verder filmt Mariëlle Urselmann het optreden met haar telefoon. Ze is de lerares van het zingende meisje en heeft net bekertjes limonade uitgedeeld.

Het is 19.00 uur, de school is al lang uit. Urselmann heeft afhaalsushi gegeten met collega’s en is daarna naar slot Zeist gereden. Alle leerkrachten zijn er. „Dat wordt ook wel verwacht.” Voor zover zij weet doen collega’s graag mee aan dit soort buitenschoolse activiteiten. Maar een beetje gek is het wel, dat het zo normaal gevonden wordt. Rond 20.00 uur gaat Urselmann naar huis.

Vandaag is een lange dag, zoals eigenlijk alle dagen in de laatste weken van het schooljaar, vol afsluitende vieringen. Mariëlle Urselmann is vandaag om half zes opgestaan om alles voor te bereiden, zoals eigenlijk elke dag. „Maar ik ben niet normaal”, lacht ze. „Anderen doen dat meestal ’s avonds.”

Rond 07.00 uur lamineert Urselmann een knutselopdracht in haar woning op vijf minuten fietsen van school. „Klei de ijsbollen op het hoorntje”, staat er op. Even na halfacht parkeert ze haar fiets bij het schoolgebouw. Haar bruingrijze krullen gaan op en neer als ze door het gebouw stapt. Ze lijkt altijd gehaast. „Dat komt niet door het werk hoor, zo loop ik altijd.”

Er wordt soms kleinerend over kleuteronderwijs gesproken, weet ze. Alsof het alleen maar „een beetje knutselen” is. Ze stoort zich er niet aan, zij doet al 26 jaar gewoon haar werk. Maar ze vindt het wel wat makkelijk gezegd, en onwaar. Voor haar is het veel meer pedagogiek en didactiek, knutselen is daar een onderdeel van.

Even na achten komt de eerste leerling binnen. „Ik vind jou wel lief en niet lief”, zegt ze. „’s Ochtends wel en ’s middags niet.” Urselmann krijgt een knuffel. Daarna is er geen moment meer waarop ze haar gedachten zou kunnen laten dwalen. Soms is het heus wel kort stil. Bijvoorbeeld nadat Urselmann „1, 2 ,3 ,4, kijk eens hier” heeft gezongen. Maar die stilte wordt vrijwel direct doorbroken door een meisje met een donkere paardenstaart. „Mijn oog doet pijn.”

Urselmann streeft ernaar elke dag op te schrijven wat haar leerlingen tijdens ‘werken, spelen’ hebben gedaan, omdat ze hun ontwikkeling moet documenteren. In dat uur spelen de jongste kinderen bijvoorbeeld zonder duidelijke opdracht met kleurrijke schuursponsjes, zijn anderen aan het schilderen en knippen de meest ontwikkelde leerlingen woorden uit papier om er een zin mee te maken. Urselmann loopt langs de groepjes om te zien hoe het gaat. Als ze later in de kring probeert op te schrijven wat ze heeft gezien en daar met de groep over in gesprek gaat, moet ze dat na een kind of vijf staken. Er staat een moeder met traktaties op de drempel van de klas.

Pas tegen vijven komt ze er weer aan toe. Er staan eerst drie gesprekken met ouders op het programma. Hun kinderen zijn net begonnen in groep 1. Zo’n gesprek is niet verplicht, maar Urselmann vindt het belangrijk, ook omdat je in het begin de basis legt voor een goede relatie met de ouders.

„Dit zou ook werk voor een conciërge kunnen zijn”, zegt Urselmann na de oudergesprekken. Aan het einde van het jaar moeten nieuwe spullen besteld worden. „Maar een conciërge is er niet. Vanwege het geld.” In het basisonderwijs zijn conciërges schaars, sommige scholen krijgen hulp van vrijwilligers.

Urselmann heeft tijdens haar loopbaan nooit serieus overwogen om te stoppen met het onderwijs, zoals veel collega’s. Misschien komt het doordat ze werkt om te leven, en niet andersom. Dat ze juf werd leek logisch, maar het voelde niet als „een roeping ofzo”. „Als je verwachtingen hebt kun je ontevreden worden en dan red je het niet.” Ze praat terwijl ze stiften sorteert die naar verschillende klaslokalen moeten. „Het helpt dat ik op veel verschillende scholen heb gewerkt. Je leert relativeren. Waar de ene school zich heel druk om maakt, daar geeft de andere in het geheel niet om.”

21-06-2017, Zeist, 08:46
Een woensdag uit het leven van juf Mariëlle, die les geeft op de Montessori-school in Zeist.
foto Bram Petraeus
21-06-2017, Zeist, 13:08
Een woensdag uit het leven van juf Mariëlle, die les geeft op de Montessori-school in Zeist.
Oudergesprek.
foto Bram Petraeus
21-06-2017, Zeist, 09:24
Een woensdag uit het leven van juf Mariëlle, die les geeft op de Montessori-school in Zeist.
Mariëlle in het magezijn
foto Bram Petraeus

Nynke Stallinga (43)

Prins Constantijnschool, Leeuwarden Protestants Christelijk Basisonderwijs

Groep 4, 21 leerlingen

Werkt 2,5 dag per week

De kinderen van groep vier willen net God bedanken voor het eten en drinken, als een jongen met grote bruine ogen het klaslokaal binnenstormt. „Ze heeft het beeldscherm kapot gemaakt. Ze heeft met de muis zó bam gedaan.” De klas verdringt zich voor de deur naar de gang, waar de computers staan. „Oh nee, er zit een barst in het beeldscherm”, ziet een jongetje. Nynke Stallinga snelt het klaslokaal uit. Een meisje in een gestreepte zomerjurk maakte sommen en is boos geworden omdat het niet lukte.

In groep 4 zitten meer „licht ontvlambare kinderen”, zegt Nynke Stallinga. De school staat in een „wat ingewikkelde wijk”, veel leerlingen hebben het niet zo ruim en gemakkelijk thuis. „Heb je wel ontbeten”, vraagt Stallinga aan een meisje dat ’s ochtends wel erg moe is. Een andere leerlinge moet huilen omdat ze ruzie heeft gehad met haar vader en ze „niet leuk” uit elkaar gegaan zijn.

Het is voor leerkrachten belangrijk maar ook ingewikkeld om mee te doen met de stakingsactie van aanstaande dinsdag. Ze willen niet de indruk wekken dat het onderwijs nu niet goed is, maar ze willen wel aandacht voor de problemen die er zijn of die nog kunnen komen.

„Onze leerkrachten zijn geen zeurkousen”, zegt schoolleider Rita de Groot in haar kantoortje naast de ingang. Zij vindt het belangrijk dat er erkenning komt voor de „maatschappelijke problemen” die leerkrachten op hun bordje krijgen. Volgende week is er bijvoorbeeld een door de gemeente geïnitieerde „beweegweek” – er is veel overgewicht in de wijk. Van de school wordt verwacht dat die eraan meedoet. En daar moet dan dus een programma voor ontwikkeld worden.

De ‘val-les’ is een ander voorbeeld. Ineens zeiden deskundigen in de media dat kinderen op school zouden moeten leren vallen. Nynke Stallinga: „Ik denk dan: zorg ervoor dat kinderen buiten spelen, dan leren ze de grenzen van hun lijf kennen.”

Vanwege de hitte zijn er drie in plaats van twee buitenspeelpauzes. Dat betekent voor Stallinga een extra ‘pleinwacht’. De kinderen spelen ‘jongens pakken de meisjes’. „Dat is weer even heel erg hip.” De jongens brengen de meisjes naar het deel van het plein waar de glijbaan staat en de tegels zachter zijn. Daar moeten de meisjes gaan liggen. Een van hen heeft zich bezeerd en komt snikkend naar ‘juf Nynke’. Een ander meisje heeft ook pijn. Stallinga neemt ze mee naar binnen, de schade is snel vergeten.

Om iets na drieën is Stallinga voor het eerst alleen om pauze te houden. Ze heeft eerder tegelijk met de kinderen gegeten. Over een halfuurtje moet ze bij een cursus programmeren zijn, verderop in de stad. Het is een van de 21th century skills die ze de kinderen willen bijbrengen – op deze school werken leerlingen veel op iPads. Stallinga zou veel baat hebben bij een onderwijsassistent, zegt ze. Er zijn de afgelopen jaren wel kinderen bijgekomen die vroeger naar het speciaal onderwijs zouden gaan, maar geen extra mensen. „Als ik nu een brandje aan het blussen ben, ontstaat er ergens anders een nieuwe brand.”

Een woensdag uit het leven van juf Mariëlle, die les geeft op de Montessori-school in Zeist.

Bijna vijf jaar geleden werd Stallinga overvallen door een burn-out. Ineens was ze zo moe dat uit bed gaan al een opgave was. In het begin dacht ze nog dat ze er na „een week goed slapen” wel weer zou zijn. Dat liep anders. Pas na een jaar kon ze weer volledig voor de klas. Dat is lastig op een dag met incidenten die je moet rapporteren, extra werk op een toch al volle dag. Als om 14.00 uur de school uit is, voert Stallinga eerst nog een gesprekje met een leerling met een lastige thuissituatie die zich brutaal gedraagt. Daarna gaat ze op zoek naar de moeder van het meisje dat het beeldscherm beschadigde. Gisteren was ze om 22.30 uur nog met de andere klassenleraar aan het appen over de problemen die een leerling thuis heeft.

Het is niet normaal dat zoveel leerkrachten op een ongezonde manier werken, vindt Stallinga. Het zou helpen als mensen weten wat voor werk er binnen de schoolmuren wordt verzet. Dan zou er meer waardering zijn. Nu springen vooral de lange vakanties in het oog, constateert Stallinga. „Vorige week vroegen we bij het hek aan ouders of ze de petitie van PO in actie wilden ondertekenen. Zegt een voorbijganger: ‘Lever maar twee weken vakantie in!’”

Thijs Mulder (38)

Olivijn in Almere

Speciaal onderwijs, bovenbouw

12 leerlingen

Werkt vier dagen

Thijs Mulder had vooraf al gewaarschuwd. „Als je binnenkomt lijkt het misschien alsof er veel begeleiders zijn voor weinig kinderen, maar het is écht nodig.” Vandaag zijn er elf kinderen. Mulder laat ze liever niet alleen in de klas. Hij staat samen met een onderwijsassistent en een stagiair („gelukkig een heel erg goede”) voor de klas. Aan het einde van de dag is er ook nog een begeleidster van de naschoolse dagbehandeling om voor een van de leerlingen de overgang van school naar naschool soepel te maken.

Op het Olivijn zitten de kinderen die niet naar een reguliere school kunnen. Eén jongen heeft een ernstige vorm van ADHD, iemand met een spierziekte, een paar anderen hebben autisme, een deel heeft nog geen diagnose. Er is een leerling die om onduidelijke redenen alleen zinnen van één woord zegt. Aan een hoge tafel achterin zit normaal gesproken een dove jongen die de hele dag een pruttelend geluid met zijn lippen maakt. Maar zijn tolk is vandaag ziek.

Tegen enen springt een onrustige jongen in een rood T-shirt uit zijn vel – als de busrit naar school onprettig was, kan een dag al zo beginnen. Hij gooit zijn tafel om. „Nu weg. Nu weg. Nu weg. Nu weg”, zegt hij daarna tegen een meisje dat de klasdeur dicht deed. „Hou op!” schreeuwt een andere leerling. „Wat zou je helpen rustig te worden”, vraagt Mulder aan de jongen. Hij mag even een rondje in de gang gaan lopen.

„Een belangrijk onderdeel van ons werk is de-escaleren. Je probeert gedrag voor te zijn.” Als een bepaalde jongen met zijn handen tikt, gaat Mulder bijvoorbeeld even met hem lopen.

Mulder wilde niet als „een leerboer voor een plofklas” staan. Daarom koos hij – na een korte loopbaan bij de marine en als buitengewoon opsporingsambtenaar – voor een baan in het speciaal onderwijs. Het plannen van een dag gebeurt met militaire precisie. Kinderen hebben afspraken bij de psycholoog, de fysio, logopedist of andere zorgverleners die grotendeels in hetzelfde gebouw werken. Op gezette tijden krijgen ze medicijnen of een pufje. Soms komt er een zorgverlener van buiten, vaak zijn de leerkrachten of de assistenten verantwoordelijk.

De onderwijsassistent van vandaag had een tijdlang een jongen met een sonde in de klas. Zij heeft toen een cursus gevolgd voor het aanleggen ervan.

„Lunch is vandaag iets eerder dan normaal want er gaan kinderen zwemmen en er is rolstoelgym”, kondigt Mulder aan. „Zijn er nog vragen?” Een jongen met een bril vertelt dat hij een fiets van zijn oma heeft gekregen. Dat is niet echt een vraag, reageert meester Thijs. Deze jongen hoort eigenlijk in een andere klas, legt hij later uit, maar zijn gebruikelijke leerkracht is ziek. „We hebben geen invalkrachten.”

„Het tekort aan leerkrachten loopt op, en wij merken dat als eerste”, fluistert schoolleider Henny van den Berg, die achterin de klas is komen zitten. Veel speciale basisscholen eisen van onderwijzers een aanvullende master op het hbo – wat weinigen hebben. „We zien het met de vacature die nu bij ons openstaat.” Vijf jaar geleden zouden er zeker vijfentwintig brieven gekomen zijn, nu staat de teller op tien. „Er was al iemand aangenomen, maar die koos op het laatste moment toch voor het reguliere onderwijs.”

Thijs Mulders enige pauze is rond 12.00 uur. Hij eet een volkoren tosti met kaas in de lerarenkamer. Vanmiddag heeft hij een leerlingbespreking die tot 17.00 uur duurt.

Niet alles heeft hij afgekregen, sms’t Thijs Mulders de volgende ochtend:

Mail ouder laten liggen

Ouders van een van zijn leerlingen willen graag dat Mulder elke dag laat weten hoe het ging.

Rapportage laten liggen

Het is bijna tijd voor de rapporten, een klus die aardig wat tijd kost en die Mulder waarschijnlijk in zijn eigen tijd zal moeten afmaken.

Klas globaal opgeruimd

Mulder staat drie dagen voor de klas en gaat een dag naar de hogeschool. Daarom draagt hij zijn klas eens per week over aan een collega. Daar hoort opruimen bij en een overdracht – die heeft hij ’s avonds vanuit huis geappt.