opinie

    • Coen Simon

Ik wil een gutmensch zijn

De ‘gutmensch’ is met zijn pronkende deugdzaamheid het mikpunt van spot, schrijft . Maar liever een goedbedoelende idealist (‘ik wil wil iets doen’) dan een zelfbenoemde realist (‘de praktijk is veel ingewikkelder’).
Foto iStock

‘Occupy is geen verzet tegen het systeem maar een van de luxes waarin het systeem voorziet”, schreef ik in 2013 in deze krant. De bezetting van het Amsterdamse Beursplein, eind 2011, leek mij vooral een vorm van politiek correct kamperen, „een schijnverzet dat de aandacht van onze verslavingen moet afleiden, net als de goede bedoelingen van de intellectuelen die luidkeels consuminderen door op ruilsites hun bezittingen met andere intellectuelen te ruilen. En dan via hun eigen iPad de wereld in twitteren dat bezit uit is en ruilen in.”

Gutmenschen, zouden we nu zeggen. Maar het is altijd link om anderen de maat te nemen, want voor je het weet doe je het zelf ook.

Dat bleek maart 2016. Ik zat op de wc toen ik op mijn iPhone het verzoek kreeg van toenmalig Denker des Vaderlands Marli Huijer en VU-hoogleraar ethiek Martin van Hees om hun manifest ‘Voor Europese openheid’ te ondertekenen. Ik had veel aan mijn hoofd in die tijd: een scheiding en een agenda vol deadlines. Ik zag er in de gauwigheid geen kwaad in me uit te spreken voor „een ethiek van openheid”. Toen ik doortrok was mijn politiek correcte reply al onderweg naar Huijer en Van Hees. Ik had het stuk nauwelijks gelezen, en toch stond een paar dagen later mijn naam onder het manifest in dagblad Trouw dat opriep om ruimhartig de grenzen open te stellen voor vluchtelingen.

Er kwam veel kritiek op het manifest, niet alleen uit rechtse hoek. Het zou de problemen van migratie bagatelliseren. Ook al sta ik, nu ik wat langer heb nagedacht over het manifest toch nog achter mijn handtekening, ik moet toegeven dat op dat moment mijn engagement gemakzuchtig clicktivisme was. Ik ben, diep van binnen, dus ook een gutmensch, zoals we in navolging van onze oosterburen politiek correcte opiniemakers zijn gaan noemen. En dat is, zo blijkt uit het depreciërende gebruik ervan, niet iets om trots op te zijn. „Iemand die vindt dat het onze morele plicht is om onze grenzen open te gooien”, schreef wetenschapsfilosoof Maarten Boudry onlangs in het Vlaamse opinieblad Knack, „staat er vaak niet bij stil wat zoiets in de praktijk zou inhouden. Dat standpunt klinkt sympathiek en ruimhartig, maar als puntje bij paaltje komt, wil zelfs de linkse gutmensch volgens mij geen open grenzen”. Het gaat hem volgens Boudry namelijk „niet om echte oplossingen (...), maar om het gevoel van morele rechtschapenheid. In het Engels heet dat virtue signaling: het pronken met de eigen deugdzaamheid.”

Een gutmensch is dus meer dan politiek correct: hij gedraagt zich niet alleen sociaal wenselijk, hij wil pronken met zijn deugden. Hij gaat niet alleen nooit met het vliegtuig op vakantie, koopt niet alleen zijn kleding met ecologisch en SEBO-keurmerk, kookt niet alleen met lokale, liefst vegetarische en glütenvrije producten, maar zorgt vooral dat iedereen weet dat hij dit doet.

Maar „wat wij houden voor een deugd”, schreef François de la Rochefoucauld (1613-1680), „is vaak niets anders dan een combinatie van gebeurtenissen en belangen die moedwillig of door het toeval bij elkaar worden gebracht”. Zo ontmaskert La Rochefoucauld al halverwege de zeventiende eeuw de moraal van onze gutmensch.

Die schijnmoraal lijkt in onze tijd als vanzelf boven te komen drijven in de opzichtige liefdadigheid in de sociale media. „Vrijgevigheid is bijna altijd ijdelheid”, zou La Rochefoucauld zeggen, „we houden meer van het gebaar dan van het geven.” En zo zouden we ook het succes van de Ice Bucket Challenge en andere filantropische acties kunnen verklaren.

Ook al is de gutmensch dus waarschijnlijk zo oud als de mens zelf, de beschimpende term kenmerkt het huidige morele debat, dat even gepolariseerd als machteloos lijkt. Dat juist een leenwoord uit het moreel beladen Duits in dit debat als scheldwoord wordt gebruikt, wijst daar op. Ik denk dat veel gebruikers van de term in de veronderstelling leven dat gutmensch historisch verwant is aan de Übermensch. Dat dit niet zo is, maakt niets uit voor de betekenis ervan. Gutmensch appeleert aan een eenvoudig moreel zwart-witdenken. En blijkbaar is daar behoefte aan.

Want wat beweegt de gutmensch nu precies? Hij wil goed doen, net als de hoofdpersoon uit Het buitengebied, de nieuwe roman van Adriaan van Dis. Deze gutmensch heeft, verklaarde Van Dis in een interview op Radio 1, „dat akelige gevoel: ach, die vluchteling, ik wil iets goeds doen!, maar die vluchteling denkt er het zijne van.” En zo voelt Van Dis zich zelf ook: „Ik heb daar helemaal geen oplossingen meer voor.” Dat een belezen, historisch onderlegd en maatschappelijk bewogen intellectueel als Van Dis geen antwoord meer heeft op „de problemen waar we mee zitten” is een eerlijkheid waar een zwart-witdenker ongemakkelijk van wordt. Maar de zelfbenoemde realist (‘de praktijk veel ingewikkelder!’) is in dit debat even machteloos als de goedbedoelende idealist (‘ik wil iets doen!’).

Volgens de Duitse filosoof Boris Groys (1947) voedt zowel het wegvallen van traditie als het einde van een toekomstgeloof „alle hedendaagse onzekerheid en ontevredenheid. Noch het verleden, noch de toekomst belooft ons nog iets: alleen het heden blijft over.” In dat heden vergelijkt Groys de mens met „een asielzoeker, een emigrant uit het rijk der geschiedenis, die bij zijn heden om asiel vraagt.”

Als asielzoeker in dit onzekere heden laat ik me dan toch het liefst opvangen door gutmenschen die met hun pronkende deugdzaamheid tot steeds meer klimaatneutrale oplossingen aanzetten en door gutmensch Klaver die meer wil dan een papieren migratiebeleid. Ik wil ook een gutmensch zijn.

    • Coen Simon