Column

Die verdomde regels uit Brussel

Caroline de Gruyter schrijft over politiek en Europa.

In Engeland is na de brand in de Grenfell-flat een discussie over bureaucratie losgebarsten die draait om de vraag: is bureaucratie wel zo erg? Als de Conservatieven afgelopen jaren niet zo hard hadden gehakt in overheidsregulering voor milieu en consumenten – om bedrijven te ontlasten –, had er minder brandbaar materiaal in de flat gezeten en was er een alarmsysteem geweest.

The Guardian schreef dat er onder premier Cameron 46 procent was gekapt in gezondheids- en veiligheidsinspecties. Voorschriften zijn geschrapt, een kwart van de inspecteurs verdween. Spontane inspecties werden verboden: inspecteurs komen alleen nog na een klacht. Kan het zijn, vragen de Britten zich na de brand af, dat een hoogontwikkeld land toch een bepaald bureaucratisch niveau nodig heeft?

Zelfs over de beruchte Brusselse red tape beginnen sommigen nu anders te denken. Boris Johnson won Brexit-stemmen met verhalen over een Europees ‘maximumgewicht’ voor doodskisten en een verbod op hergebruik van theezakjes. Dit bleken verzinsels. Nu het inzicht daagt dat sommige regels in Londen bij nader inzien goed zijn voor Britse burgers, vragen sommigen zich af: waarom zou dat niet gelden voor bepaalde Brusselse regels?

Historici zien de opkomst van de bureaucratie als teken van beschaving. Eind negentiende, begin twintigste eeuw huurden overheden experts, administrateurs en inspecteurs in om los van partij- of vriendjespolitiek het algemeen belang te verdedigen. Dat was deels een reactie op publieke woede over de uitbuiting door machtige industrieën en over ministers die hun departement runden als een familiebedrijf. Ter bestrijding van corruptie en nepotisme controleren onafhankelijke bureaucraten sindsdien of bestuurders hun beloften uitvoeren en of niemand de boel tilt.

Het oude Habsburg, de eerste ontwikkelde bureaucratie in Europa, zette kadasters, spoorwegen en een belastingsysteem op waar men nu nog plezier van heeft. Het had zelfs controleurs in dienst die checkten of winkeliers niet sjoemelden met gewichten op weegschalen. Toen de ambtenaren niet meer serieus werden genomen, waren de dagen van het keizerrijk geteld.

Natuurlijk, iedereen kent voorbeelden van Brusselse bemoeizucht. Maar vaak komen die voort uit interne marktconflicten, niet uit regelzucht. Zo is er een tijdlang een Europees voorschrift geweest over de kleur van autokoplampen. Dat kwam doordat Frankrijk ineens gele koplampen voor iedereen verplicht stelde (Duitse auto’s hadden witte). Omdat er een conflict dreigde op de interne markt, gaven lidstaten de Europese Commissie de ondankbare taak een compromis uit te werken over koplampen. Als iemand daar de pest over in had, waren het wel Brusselse ambtenaren zelf.

Alle bureaucratieën hebben de neiging door te slaan. Soms moet de bezem erdoor, ook in Brussel. Maar als 28 landen afspraken maken, moet íemand die controleren. Anders kun je evengoed geen afspraken maken. Daarvoor hebben de lidstaten – wij dus – de Europese Commissie opgericht. Die zit vol experts die Europese afspraken bewaken. Ze komen uit alle landen en krijgen een zwaar examen waar maar 2 procent doorheen komt. Ze maken ook voorstellen voor nieuwe Europese wetten. Maar als nationale ambtenaren en ministers er niets in zien, gaan die voorstellen van tafel.

Nederland wilde, en kreeg, een Europees patent. Wie bewaakt de criteria, wie beoordeelt aanvragen? Burgers mogen vrij roamen in Europa, 90 dagen per jaar. Wie waakt er tegen misbruik? Voor al deze klussen is er in Nederland één ambtenaar voor elke 133 inwoners. In Europa is er één voor elke 20.800. De EU-bureaucratie is kleiner dan die van Wenen, ontdekte schrijver Robert Menasse tot zijn stomme verbazing.

De Britse premier Cameron beloofde de Britten een groot „bonfire of red tape”. Het resultaat is nu een voorzichtige herwaardering van de bureaucratie, zelfs de Europese. Onverwacht, maar zeer terecht.