Recensie

Wat is erger: iets doen of iets nalaten?

Maria Stahlie

De zestigjarige hoofdpersoon in Stahlies coming of a certain age-roman is laconiek onthecht. Maar dat dwingt haar op een snoeihete dag tot zelfreflectie: is haar lauwheid houdbaar?

Misschien wordt het tijd het begrip coming of age van een spiegelbegrip te voorzien verderop op de levenslijn. Wordt de westerse mens niet steeds ouder? Onze actieve jaren lengen en in de literatuur is hier een weerslag van te vinden. De hoofdpersoon van de roman De middelste dag van het jaar van Maria Stahlie (1955) is zestig, en zoals zij zelf laconiek zegt: ‘Zestig is het nieuwe achtendertig.’ Tegenover het je verzoenen met de volwassenheid die voor je ligt, zou het coming of a certain age kunnen gaan over het verzoenen met wat achter je ligt. Coming of age gaat over het verliezen van je onschuld en coming of a certain age over het jezelf bevrijden van schuld. Waar geleefd is, zal een gemiddeld westers mens bij zelfbeschouwing immers schuld aantreffen.

De bril waardoor Stahlie ons naar onze tijd laat kijken, staat op het hoofd van vertaalster Sylvia Ciecierzky. Zij is een verantwoordelijk iemand, die zorgt voor zichzelf en de mensen om zich heen. Ze luistert meestal vriendelijk naar haar hoogbejaarde bovenbuurvrouw Annie. Ze draagt een bepaald soort espadrilles, dat een kansarm kind ergens ter aarde van eenzelfde paar verzekert. Ze onderhoudt een vriendschap met haar ex-man en vader van haar volwassen kinderen. En heeft zo nu en dan bevredigende affaires.

Maar op deze middelste dag van het jaar, de snikhete tweede van juli, wordt zij tegen wil en dank uit het lood geslagen. Ze krijgt in deze rijke roman te maken met enkele zaken die haar dwingen tot reflectie. Een ervan is een voorstel van haar ex-man, een voorstel dat moet resoneren in de gedachten van meer gescheiden mensen. Wat, zo oppert hij, in een gesprek waarin hij ook zijn hart lucht over de breuk met zijn jongere vriendin, als wij alsnog samen oud zouden worden? We zijn tenslotte ook samen jong geweest.

Vlucht voor dieper contact

Met onder andere deze uitnodiging in het hoofd verlaat Ciecierzky haar hete bovenwoning om elders te werken aan de vertaling van een Poolse novelle. Ze gaat over tot een wandeling langs de Amstel. Er wordt wel gezegd dat wandelen het westerse mediteren is, maar het wandelen van Ciecierzky is een mediteren van het gekwelde soort. Van bovenbuurvrouw Annie, die onder een grote parasol beneden op de stoep zit, krijgt ze nog een paraplu aangereikt tegen de zon en dat is fijnzinnig gekozen, want schaduw, dat is wat Ciecierzky uiteindelijk lang ontbeert. De onbarmhartigheid van de zon vormt een scherpzinnige parallel met de onbarmhartigheid van haar eigen blik op haar leven.

Wat zij met name te bevragen komt, is of de verregaande onafhankelijkheid van moderne mensen niet schadelijk is. Hun onafhankelijkheid lijkt in de wereld die Stahlie schetst tegelijk een verzoening met een eenzaamheid die des mensen is én een vlucht voor dieper contact. Sylvia Ciecierzky twijfelt of haar laconieke onthechting, haar geamuseerde distantie niet eerder een nietsdoen is, een niet deelnemen en op deze wijze aan de passiviteit grenst. Stahlie laat Ciecierzky vrezen: ‘Lauwheid was haar tweede huid geworden [...] het schild dat de wereld buiten liet.’ Mooi toont Stahlie dat ook als we aan zulke diepe zelfreflectie doen, deze grenzen kent: ‘Ze deinsde ervoor terug om dóór te denken, om dóór te dringen.’

Toch, doordenken zal ze, daar zorgt de gevoelige meesterhand van Stahlie voor. ‘Nalaten versus doen, wat was erger?’ Ciecierzky bevraagt zich met de hevigheid van iemand die zichzelf nog lang ziet doorploeteren. Hoe moeten die nog komende jaren eruitzien? Welke invulling geeft zij deze nieuwe levensfase?

Intimiteit tussen vreemden

De dood loert overal in de beelden van de zomer die Stahlie oproept, dus dat Sylvia tijdens haar desoriënterende wandeling in de snoeihitte op begraafplaats Zorgvlied terechtkomt, hoeft niet te verbazen. Ze bezoekt het graf van haar tweede echtgenoot en heeft daar een tweede ontregelende ontmoeting, die haar verder terugslingert in de beschouwing van haar leven. De jongeman die ze er treft, gaat gebukt onder grote schuldgevoelens en hanteert een cynisme dat haar zeer uitnodigt tot ontwapening. In een poging hem te bevrijden, stelt ze dat het er in de levenskunst op aankomt doof te blijven voor de hoon én de loftuitingen van anderen. En dus ook voor die van jezelf voor jezelf, voegt zij hier aan toe.

Van een enkel element van het knappe plot, dat technisch schoon en soepel voortrolt, valt te beweren dat het uitzinnig is. Maar hoe vernuftig het vehikel ook in elkaar is gezet, evident is dat het daar niet om te doen is. Het uitzicht onderweg en hóé we dat beschouwen, is wat Stahlie wil belichten. Ze pleit daarbij voor de genade. Dus ook voor genade voor de lauwheid. Ook voor hoe Ciecierzky denkt over de hereniging met de ex-echtgenoot. Of over buurvrouw Machteld van Ginniken. Bestond er zoiets als de prijs voor de beste vrouwelijke bijrol in de Nederlandse literatuur, zou Machteld, the girl you love to hate, deze toegewezen moeten krijgen.

Als ik Stahlie goed versta, loopt haar genade via het mystieke in de intimiteit, die ook tussen vreemden kan plaatsgrijpen. En draag je een verantwoordelijkheid voor je eigen ontvankelijkheid voor deze intimiteit. Tijdens een ingeleefde dans op het einde van de roman is er een kort moment sprake van genade. En in de slipstream hiervan lijkt daarvan ook wat over voor de eigen onbarmhartigheid. Die afzwakt bij het gloren van een nieuwe ochtend. Je voorvoelt dat Sylvia Ciecierzky zich dan opnieuw zal wijden aan de verbintenissen in haar leven, aan de verbinding mét haar leven, dat zij het met een hernieuwde zachtmoedigheid tegemoet zal treden.

Een prijs voor dit boek is wat ik graag zag gebeuren. Maar liever dat het nú vast gelezen wordt.