‘Overheid hield weinig over aan afvalbedrijf Attero door tunnelvisie en tijdsdruk’

Rekenkamer

Is Attero door gemeenten en provincies veel te goedkoop overgedaan aan investeerders? Misschien wel, maar afblazen was geen optie.

Een installatie voor biogas op het terrein van afvalverwerker Attero in Wijster. Foto Remko de Waal / ANP

Bij de verkoop van afvalverwerkingsbedrijf Attero, het vroeger Essent Milieu, is sprake geweest van tunnelvisie. Provincies en gemeenten kregen veel minder voor hun aandelen dan beoogd. Maar de deal afblazen was geen serieuze optie meer toen het verkoopproces eenmaal de laatste onderhandelingsfase had bereikt.

Dat concludeert de Zuidelijke Rekenkamer in een rapport dat deze vrijdag is gepubliceerd. De Rekenkamer van de provincies Limburg en Noord-Brabant deed op verzoek van Provinciale Staten onderzoek naar de verkoop van Attero (750 werknemers, 329 miljoen omzet) aan private equity-bedrijf Waterland in 2014.

Waterland betaalde destijds 170 miljoen euro voor de afvalverwerker met verbrandingsinstallaties in Wijster en Moerdijk, om een jaar later alweer 183 miljoen euro aan dividend uit Attero te halen. Dat leidde tot grote verontwaardiging in politiek Den Haag over het „sprinkhanengedrag” van private equity. De voormalige eigenaren van Attero, zes provincies en ruim honderd gemeenten in het zuiden en oosten van het land, bleven zitten met het ongemakkelijke gevoel dat ze een kip met gouden eieren voor een prikkie hadden verkocht. Een gevoel dat nog eens werd versterkt toen vorig jaar enkele Chinese partijen interesse toonden in Attero en plotseling overnameprijzen rondzongen van 1 miljard euro, zonder overigens concreet te worden.

En dus volgde een onderzoek. Want hadden de bankiers van ING en ABN Amro, die de deal in 2014 begeleidden, het bedrijf wel goed verkocht? Ja, oordeelt de rekenkamer nu. Attero had het in de periode van de verkoop moeilijk. Economische krimp en toegenomen afvalscheiding leidden tot overcapaciteit en dalende tarieven. Bovendien liepen veel contracten met gemeenten op hun einde en kreeg Attero door gezakte energieprijzen steeds minder voor stroomopwekking uit afvalverbanding. Het was, kortom, het dieptepunt van de markt. „De bieding van Waterland was het maximum haalbare uit de markt op dát moment”, schrijft de rekenkamer dan ook.

Timing, daar ging het dus om, en die was de verantwoordelijkheid van de eigenaren. Directie en commissarissen waarschuwden nog even te wachten met de verkoop en eerst de bedrijfsvoering aan te passen aan de veranderde marktomstandigheden.

Maar vooral de provincies wilden graag en snel van hun aandelen af, omdat afvalverwerking intussen gemeentelijk werd aanbesteed en een plan om Attero in handen te brengen van gemeentes was mislukt. Daarbij waren er geen tekenen noch garanties voor toekomstig herstel van de markt, concludeerden de eigenaren. Die wilden niet het risico lopen straks bij te moeten storten.

Om tunnelvisie te voorkomen waren nog wel verschillende momenten in het verkoopproces ingebouwd waarop de aandeelhouders zouden overwegen of ze ermee doorgingen of niet. In de laatste fase, waarin er nog twee bieders over waren, was stoppen echter geen serieuze optie meer, stelt de Rekenkamer vast, hoewel de biedingen „ver onder richtprijs” lagen. „Wij constateren dat het einde van het verkooptraject zich (…) in zo’n tunnel heeft afgespeeld.”

De provincie Limburg verwerpt de kritiek in haar reactie en spreekt van een „gekleurd beeld” dat „een duidelijke empirische onderbouwing ontbeert”. Ook de provincie Brabant zegt zich niet in het geschetste beeld van tunnelvisie te herkennen. Er zouden „géén overhaaste beslissingen” zijn genomen.