‘Syrië is meer dan enkel oorlog’

Vluchtelingen

In een Syrisch restaurant in de Warmoesstraat leren vluchtelingen koken. Ze zijn blij dat ze kunnen werken.

Het Syrische restaurant Sham in de Warmoestraat werkt met vrijwel alleen Syrische vluchtelingen in de keuken en de bediening. Eigenaar Momen Al-Azhar van oorsprong ook Syrisch woont al 30 jaar in Nederland. Op de achtergrond kok Omar Bakbounsi (ook in het verhaal) aan het werk in de keuken. Foto Bram Budel

‘Sommige jongens die hier werken hebben in de gevangenis gezeten in Syrië, en zijn daar gemarteld. Dat merk je wel. Ze worden snel boos, en hebben alle vertrouwen in mensen verloren.” Restauranteigenaar Mumen Alazhar (45) kijkt triest uit zijn ogen. In zijn Syrische restaurant Sham in de Warmoesstraat klinkt de muziek van Fairouz, een bekende Arabische zangeres, door de speakers. Aan de muren hangen foto’s van eten en Syrische landschappen met prieeltjes, naast plastic planten en roodleren stoelen. Het keukenpersoneel is druk schotels met vet aan het insmeren en praat in het Arabisch met elkaar.

Van keukenhulp tot chef-kok, allemaal zijn ze gevlucht voor de oorlog in Syrië. Mumen Alazhar, zelf Syriër, heeft intussen al veertien vluchtelingen voor zich werken. „De enige harde sollicitatie-eis voor nieuw keukenpersoneel, is dat ze Syrische statushouder zijn”, benadrukt hij. „En ik moet zien dat ze het werk echt nodig hebben.”

Versgemaakte baba ganoush (auberginepasta), hummus (kikkererwtenpasta) en muhammara (paprikadip) komen langs op een dienblad. Alazhar laat zijn gasten – grotendeels Nederlanders – zien hoe alles gegeten dient te worden. Hij scheurt een stuk brood af en dipt het in de hummus.

„Als iedereen samen van dezelfde hapjes eet, voelt het net zoals thuis.”

“Ik hou van deze man”

Uit de keuken verschijnt chef-kok Radwan Alkuosa (30). Met een pet achterover op zijn hoofd en een brede glimlach gaat hij naar Alazhar toe. „Ik hou van deze man”, zegt hij. Albuosa’s tocht van Syrië naar Nederland is nu bijna twee jaar geleden. In gebroken Nederlands vertelt hij hoe hij vanuit Syrië naar Libië reisde, en van daaruit met de boot naar Griekenland vertrok. 6.000 euro betaalde hij, om samen met 200 anderen in een klein bootje de zee over te steken. Zelfs als alles weer rustig is, wilt Alkuosa niet terugkeren naar Syrië. „Ik ben bang voor de regering en politie daar. Assad zelf heeft ook miljoenen burgers gedood.”

Eigenaar Mumen Alazhar ontmoette Alkuosa op het Damrak, net als de rest van het keukenpersoneel. „Rond 2013 en later 2015 begonnen de grootste groepen vluchtelingen hier aan te komen. Mensen kwamen vanaf het Centraal Station van Amsterdam de stad in. Je kon ze er zo uitpikken: vies, mentaal uitgeput en bijna dood. ‘Daar werkt een Syrische man, die kan jullie misschien wel helpen’, zeiden buren dan.”

Een eerste aanspreekpunt hebben, dat was belangrijker dan het verdienen van een beetje geld

Hij werkte toen als manager voor een restaurant. „Ik ving de mensen in nood op met eten of een beetje geld. Maar vaak was dat niet het belangrijkste. Een eerste aanspreekpunt hebben, iemand die hen vertelde waar het politiebureau was, daar hebben ze mij later – in nette kleren - nog voor bedankt.”

Baneermiel

Alazhar kwam erachter dat een aantal van de vluchtelingen die hij daar ontmoette redelijk kon koken, en nodigde hen uit voor testen. „Ze moesten vooral ook aardig zijn”, zegt hij. De restauranteigenaar heeft nu vijf Syriërs in vaste dienst, de rest springt bij wanneer het druk is. Degenen die er vast werken, verdienen ongeveer 1.200 euro per maand, niet veel meer dan een uitkering, maar ze zijn blij dat ze kunnen werken.

„Ik vind het heel leuk”, zegt kok Kumar Bakbounsi (41). „Ik doe nu hetzelfde als in Syrië, maar daar moest ik zestien uur werken, en hier maar negen uur. En ik krijg zelfs nog pauzes.” Hij is graag in Nederland omdat hij vindt dat er een vrije sfeer hangt op het werk, en omdat ook zijn familie er in is geslaagd om naar hier te komen.

Het Syrische restaurant Sham in de Warmoestraat werkt met vrijwel alleen Syrische vluchtelingen in de keuken en de bediening. Eigenaar Momen Al-Azhar van oorsprong ook Syrisch woont al 30 jaar in Nederland. Op de achtergrond kok Omar Bakbounsi (ook in het verhaal) aan het werk in de keuken. Foto Bram Budel

Toch was het voor veel van de Syriërs moeilijk om hier werk te vinden; ze hebben weinig werkervaring en spreken bijna allemaal uitsluitend Arabisch. Dat is ook voor eigenaar Mumen Alazhar soms een uitdaging. „Baneermiel?” vraagt een meisje uit de bediening, die de boodschappen gaat doen. „Pa-neer-meel”, verbetert Alazhar haar. Hij vertelt zuchtend dat hij heel vaak alles zelf moet bestellen, door de taalverschillen binnen het personeel. Van de bediening is bijvoorbeeld bijna niemand Syriër, maar Nederlander of Roemeen, waardoor ze geen Arabisch begrijpen.

„Baneermiel?” vraagt een meisje uit de bediening, die de boodschappen gaat doen. „Pa-neer-meel”, verbetert Alazhar haar.

Mumen Alazhar is al twintig jaar in Nederland, en kent daardoor de taal en de cultuur goed. Alles in zijn restaurant is Syrisch, maar aangepast aan Nederlandse normen. Dat was voor het keukenpersoneel in het begin nogal een uitdaging. „In Syrië heb je ook goede restaurants die erg schoon zijn,” zegt Alazhar. „Maar de restaurants voor de gewone mensen zijn chaotischer. Zo wilden ze hier ook beginnen, maar dan zei ik: nee jongens. Het moet netjes zijn, we zijn in Nederland.”

Sommige Syriërs maakten in hun thuisland deel uit van een hogere klasse, en daar wordt een schoonmaker of keukenhulp gezien als een ‘laag’ beroep. Alazhar: „Dat loste ik dan op door bijvoorbeeld zelf een keer de wc’s te gaan schoonmaken, zo kon ik laten zien dat het niet erg is.” Met zijn restaurant hoopt hij om ook een keer een andere kant van Syrië te laten zien dan de beelden van oorlog op tv. Zijn zoontje van negen is er nooit geweest, en hij vindt dat die „moet weten dat Syrië meer is dan enkel oorlog”.