Column

Schrijven is converseren

Nog even terug naar Laurence Sterne’s excentrieke, geestige, geniaal complexe roman over het schrijven van een roman The life and opinions of Tristram Shandy, die ik tijdens mijn wandeltocht in Cornwall lees. In het vissersdorp Portloe stuitte ik, zittend voor het voormalige buitenhuis van de schrijver Roald Dahl, op een passage die het wezen van dit nog altijd zeer vermakelijke meesterwerk (1759) bevat. Het zit hem in die ene zin waarin de verteller, de honourable Tristram Shandy, zegt dat schrijven voor hem converseren is. En zoals u weet gaat converseren vaak van de hak op de tak. Sterne beheerst die kunst als geen ander en schakelt moeiteloos over van het hobby-paard van zijn oom Toby op zijn vroedvrouw en de tijd dat hij nog in zijn moeders baarmoeder zat, waaraan hij overigens zijn gebroken neus dankt. De mens is voor Sterne tenslotte een irrationeel wezen, dat van de hak op de tak springt.

Ineens besefte ik waarom zoveel grote schrijvers uit de twintigste eeuw bij Sterne inspiratie vonden. Want het oeverloze gepalaver van zowel de Tsjech Bohumil Hrabal als van de Fransman Louis-Ferdinand Céline lijkt vaak toch echt van Sterne te zijn afgekeken. En wat te denken van James Joyce, Pirandello, Salman Rushdie en Thomas Mann, wiens Lotte in Weimar een van de beste ouwehoerscènes uit de wereldliteratuur bevat. En dan laat ik Karl Marx, die ook een groot Sterne-bewonderaar was, nog buiten beschouwing, omdat ik mezelf niet bevoegd acht om Das Kapital op Sterne’s invloeden te kunnen beoordelen.

Op de Telltale-dagen, die met enige regelmaat in Cornwall worden gehouden, is die invloed ook te merken. Jonge schrijvers lezen dan hun verhalen aan een geïnteresseerd publiek voor, want Britten zijn nu eenmaal vertellers. Of het nu over een vreemde oom gaat, of over een verdwaalde geest op de zolder van de pub, een moord in het dorp, een overspelige geliefde, het levert altijd wel iets op.

De mens is voor Sterne tenslotte een irrationeel wezen, dat van de hak op de tak springt

Al lopende over de rotsen van Cornwall som ik de schrijvers en dichters op, die hier zijn opgegroeid of hebben gewoond. Het is een behoorlijk rijtje: D.H. Lawrence, Thomas Hardy, D.M. Thomas, Jean Rhys, Agatha Christie, Daphne du Maurier, John Betjeman, Mary Wesley, William Golding. Samen vertegenwoordigen ze een voorbije literaire wereld, die zich door geen Brexit laat herstellen, al zouden velen willen dat het anders was. Want ook al ligt in Cornwall het Engeland van Father Brown en Miss Marple voor het oprapen, toch heeft het niets meer te maken met het Groot-Brittannië van nu. Daar wordt de literatuur door een heel andere groep bepaald: die van de schrijvers uit de voormalige Britse koloniën en hun nakomelingen. Zij hebben het over de moderne mens die verdwaald is in de kosmopolitische wereld, over een samenleving waarin andere werkelijkheden bestaan dan waar D.H. Lawrence, een voorvechter van een vrije seksuele moraal, ooit van had kunnen dromen. Maar opvallend is dat ook in hun boeken vaak een irrationeel personage opduikt, dat zijn gedachten de vrije teugels geeft, net zoals Tristram Shandy. En daarmee is op de stoep van Roald Dahl de eeuwigheidswaarde van Sterne’s roman opnieuw bewezen.