Recensie

Met tape wilde hij mensen, ruimte en tijd verbinden

Tentoonstelling

Kunst en grap lopen bij Edward Krasinski door elkaar. Postuum groeide hij uit tot belangrijkste neo-avant-gardist uit Polen. Het Stedelijk toont nu een overzicht van zijn werk.

Het atelier van Edward Krasinski met lijn van blauwe tape. Foto Aneta Grzeszykowska en Jan Smaga

Tijdens de communistische jaren in Polen ging in oppositiekringen een grap rond over twee bewoners van het Tatragebergte, op de grens tussen Polen en Slowakije. De Tweede Wereldoorlog loopt op zijn einde en ze speculeren over de toekomst. „De Russen komen en zullen ons uithongeren”, zegt de één. „Uithongeren of niet”, zegt de ander, „dood vervelen zullen ze ons zeker.” In het Pools en Engels is de uitdrukking in zinsopbouw nog iets sterker: they will bore us to death.

In de jaren vijftig leek het daar inderdaad op. Honger zoals in de oorlog was voorbij, maar de betonvlechtersesthetiek van de arbeidersheilstaat-in-aanbouw verdrukte alle creativiteit en originaliteit. Op het toppunt van het Poolse stalinisme (1950-1955) was alleen sociaal-realistische kunst toegestaan.

Een van de Poolse kunstenaars die de verveling doorbrak, was Edward Krasinski (1925-2004). Hij deed dat met „geraffineerde grappen”, zoals de Poolse kunstcriticus Karol Sienkiewicz zijn kunstwerken noemt. Het Stedelijk toont nu een overzichtstentoonstelling van zijn werk.

Edward Krasinski, Intervention 15, 1975.

Foto Tate
Edward Krasinski, Intervention 15, 1975.
Foto Tate

Jong en onbekend, vervaardigde Krasinski in de vroege jaren vijftig surrealistische schilderijen en erotische tekeningen. Daarna, als de Poolse kunst in 1956 weer aansluiting vindt bij wereldwijde ontwikkelingen, ontpopt hij zich als constructivist, om in de jaren zestig door te breken met ruimtelijke objecten van draad en staal; de tentoonstelling in het Stedelijk begint met die werken.

Daarna wordt zijn kunst conceptueler en minimalistischer. Hij noemt zijn werken interventies en houdt op met schilderen. Goed, af en toe komt er nog wel een schilderdoek en blauwe verf aan te pas, maar dan altijd, zoals hij zelf zei, om de weg interessanter te maken die de blauwe Scotch-tape aflegt die hij sinds het einde van de jaren zestig overal op plakt.

Ironie

Een vriendin gaf hem de tape na een bezoek aan Rome. Krasinski plakte het steevast op 130 centimeter hoogte, op bomen, de bar in zijn lievelingscafés, op mensen, de muren van een ziekenhuis. In de jaren negentig zelfs op metershoge, fotografische reproducties van beroemde meesterwerken uit de Poolse schilderkunst. Criticus Sienkiewicz, die een bijdrage leverde aan de catalogus: „Met de tape wilde hij het onmogelijke: het verbinden van mensen, ruimte, tijd en objecten.”

Critici, binnen en buiten Polen, gebruiken talloze, verschillende labels om Krasinski te rubriceren. Constructivist, conceptualist, neo-avant-gardist. Kunsthistorica Ewa Gorzadek schrijft: „Met zijn persoonlijkheid, ironie en humor ondermijnde Krasinski voortdurend de traditionele kunstvormen en -betekenissen.” Haar label: „Krasinski combineerde een constructivistische traditie met dadaïstische humor.”

Dat kan in zekere zin Oost-Europees worden genoemd. De gezaghebbende Hongaarse kunsthistoricus László Beke schreef in het boek Global Conceptualism: Points of Origin, 1950s-1980s dat Oost-Europese kunstenaars nooit zo rigoureus waren als hun westerse vakbroeders. „Hun conceptkunst was flexibeler en elastischer, ironischer, humoristischer en ambiguer.”

Van die flexibiliteit leverde Krasinski een staaltje in 1970. Hij had vernomen dat zijn werk niet op tijd aankwam op de Biënnale van Tokio. Snel verzond hij een tachtig meter lange telex, waarop hij vijfduizend keer het woord ‘blauw’ had geschreven. Die moest het museum maar exposeren. Inmiddels is deze ‘oplossing’ als het eerste Poolse conceptkunstwerk in de kunstgeschiedenisboeken beland.

Pingpongen

Enkele Poolse critici vinden dat de tentoonstelling in het Stedelijk, die al eerder in Tate Liverpool was te zien, te weinig laat zien van de gein die hem als persoon en kunstenaar kenmerkte. Maar dat oordeel is erg streng. Zo hangen er op de expositie foto’s van zijn atelier, dat met financiële steun van kunstenaar Maurizio Cattelan en het Nederlandse Mondriaan Fonds intact is gebleven en tegenwoordig is opgesteld voor het publiek als het ‘Avant-Garde Instituut’. De blauwe tape loopt er over de ijskast, langs de wanden, over reproducties aan de muur en fotootjes boven het aanrecht. Te zien zijn twee levensgrote foto’s, van hem en een galeriehouder. Ze spelen pingpong. Tussen hen in hangt een roodgeverfd pingpongballetje.

De expositie bevat ook een foto die eraan herinnert dat Krasinski altijd was te porren voor de happenings van de Poolse kunstenaar Tadeusz Kantor. Krasinski is op de rug te zien, in rok. Hij staat op een krukje in de zee en dirigeert de golven. Het publiek zit op strandstoelen in de branding.

Eustachy Kossakowski, Panoramic Sea Happening, 1967.

Foto Museum of Modern Art Warsaw
Eustachy Kossakowski, Panoramic Sea Happening, 1967.
Foto Museum of Modern Art Warsaw

Het atelier in Warschau was eigenlijk van zijn vriend en mentor Henryk Stazewski, die tot zijn dood in 1989 de bekendste nog levende Poolse avant-gardist was, iemand die in de jaren twintig contact onderhield met Piet Mondriaan en die in Parijs werk exposeerde met kunstenaars als Kandinsky, Leger en Arp. Vanaf 1970 woonden ze er samen. Vanaf de dood van Stazewski, woonde Krasinski er alleen.

De studio is te vinden op de bovenste verdieping van een modernistische, betonnen kolos aan de Avenue Solidarnosc, vernoemd naar Solidariteit, de vakbond die vanaf de jaren zeventig oppositie voerde tegen het communistische bewind. Voor de omwenteling heette de straat naar Karol Swierczewski, een Poolse generaal die vocht in het Rode leger van de Sovjet-Unie en met wie Krasinski niets behalve zijn drankzucht deelde. Want Krasinski dronk, vaak en veel. Sinkiewicz: „Hij dronk alleen wodka en melk.” Bij Krasinski’s galerie, Foksal, stond altijd een fles voor hem klaar, weggestopt in een paraplubak.

Krasinski behoorde zelf tot de oprichters van Foksal, in 1966. De galerie onderhield een ambivalente relatie met het gevestigde gezag, dat af en toe tentoonstellingen verbood, maar de galerie ook gebruikte als bewijs voor het liberale kunstklimaat in het Polen van de jaren zeventig, dat inderdaad positief afstak bij de culturele repressie in de Sovjet-Unie en andere buurlanden.

Kroegtijger

Critici en bewonderaars viel het op dat Krasinski altijd tijd leek te hebben, voor alles. Hij had een hekel, zo vertelde hij regelmatig, aan het woord ‘kunstwerk’. Kunst? Prima. Werk? Niet oké: hij werkte niet, hij maakte kunst. Ondertussen was hij een fervente caféganger, die overal kon opduiken, of tijden zoek bleef. Illustratief is zijn verhuizing van Krakau naar Warschau in 1954. Plotseling stond hij voor de deur van een bevriend echtpaar in Warschau. Hij vertelde over een verloofde in Gdansk. Zij zou hem op dit adres komen ophalen. Ze kwam niet en pas tien jaar later vertrok Krasinski weer uit de kelderwoning van zijn vrienden. Hij heeft nooit verteld of de verloofde echt heeft bestaan.

Intussen begon Krasinski internationaal naam te maken. Zo nam hij in 1967 deel aan een grote internationale tentoonstelling van beeldhouwkunst in het Guggenheim in New York. Toch zouden collega’s en critici in Polen hem nooit helemaal serieus nemen, wellicht door zijn eigen luchthartige houding, en de relativerende toon die hij aansloeg als het om kunst of politiek ging. Iedereen bleef hem altijd Edzio noemen, ofwel Edwardje, hoe respectabel hoog zijn leeftijd ook. Na de val van het communisme in 1989, belandde zijn werk in grote collecties wereldwijd, als Pompidou in Parijs en het MoMA te New York.

De nieuwe realiteit na de val van het communisme bood Krasinski bovendien de gelegenheid inkomend geld in gokautomaten weg te spoelen, in een café tegenover zijn studio. Toen Zacheta, het belangrijkste museum voor moderne kunst in Warschau, werk (sorry, kunst) van hem kocht, besloot de conservator Anda Rottenberg het bedrag in kleine hoeveelheden bij hem te brengen, om te voorkomen dat het binnen een dag zou zijn opgelost.

Edward Krasinski, Intervention 27, 1975.

Foto Tate
Edward Krasinski, Intervention 27, 1975.
Foto Tate

Huwelijk

De drinkende gokker, zo blijkt uit de verhalen van zijn omgeving, was charmant en geliefd. Tot zijn dood bleven mensen zich over hem ontfermen, Foksal-medewerkers, een enkele bewonderaar, zijn ex-vrouw. Want ondanks zijn onwil zich te conformeren aan maatschappelijke conventies, trouwde Krasinksi wel. Met Anka Ptaszkowska. Het stel kreeg zelfs een dochter. Maar zijn vrouw verliet hem, om naar Parijs te emigreren met de man die de belangrijkste foto’s van Krasinski’s werk had gemaakt, Eustachy Kossakowski.

Pieter van Os sprak ook op Radio 1 over te tentoonstelling in het Stedelijk: Luister het interview terug.

En de blauwe tape? Die bleef, tot zijn dood in 2004. Zelf zou hij over het gebruik ervan eens zeggen: „Ik heilig er plaatsen mee als kunst”. Dat is onmiskenbaar: gewone objecten en ruimtes transformeerden tot kunst als Krasinski er met zijn tape overheen ging. Toch is een andere uitspraak van hem wellicht kenmerkender voor de man en de kunstenaar Krasinski: „Of het kunst is, weet ik niet. Maar zeker is dat het blauwe Scotch-tape is, 19 mm breed, lengte onbekend.”

Een van de mooiste foto’s die Kossakowski van hem nam, is uit 1969. Hij is, heel onhandig, in een schijnbaar onontwarbare kluwen beland van zijn eigen tape. Bijgevoegde tekst: „Ik ben het einde kwijt!”