Column

Loze Ruimte

Lichtbanners met teksten als ‘Moeten jullie jezelf eens zien liggen!’ en ‘LAPZWANS’ verschijnen knipperend op wat er over is van het stucwerk. Omdat het peertje dat in het midden van de Loze Ruimte hing voordat De Bovenkamer instortte zijn taak niet meer kan uitvoeren, is het het rode licht van de knipperende banners wat verraad dat het houtskelet, waar het stucwerk ooit tegenaan gekwakt is, bestaat uit kleine houten zeshoekjes, cirkels, vierkanten en rechthoekige staafjes in de kleuren groen, geel, rood en blauw, meen ik, die met kleine spijkertjes in een laagje kurk geduwd zijn. Hamertje Tik. Bovendien heeft het er alle schijn van dat de isolatielaag die men mag verwachten te ontwaren bij blootlegging, niet meer is dan een toefje purschuim zo hier en zo daar. Ik meen zelfs poppetjes van purschuim te zien. En een kerstboom. Dit is het werk van een kind.

George Clooney – het mannetje in mijn hoofd met de lakschoentjes, de pommade en de snor, het mannetje waarmee ik initialen deel en een gezicht, op de snor na (behalve in de winter) – en ik liggen in de Loze Ruimte op de grond. Ik heb George al lang niet meer aangekeken. De laatste keer dat ik een gesprek met hem aan probeerde te knopen raakte ik bevangen door de eindeloos ronddraaiende spiralen in zijn opengesperde ogen. „Wie ben… ben… ben…” Pas toen hij achterover viel met een doffe klap, en het stof van het opvliegend puin was neergedaald kon ik mijn zin afmaken; „jij eigenlijk?” Ik heb nooit antwoord gekregen. Het interesseert me ook niet meer. Je hebt er toch niets aan, aan een verfomfaaid heertje.

Op mijn voorhoofd druppelt al maanden water naar binnen. Drup. Drup… Drupdrup. Je zou denken dat zoiets tot actie aanzet, maar alles went. De vorming van schimmel is daarnaast een proces dat een zweempje fascinatie opwekt, en fascinatie is altijd meegenomen. Zeker op een plek waar tijd snel en langzaam tegelijk lijkt te gaan. ‘Tedious and fast’ schalde hier onlangs door de krakende luidspreker. Het was een podcast denk ik. De schimmelvorming deed denken aan de rorschach-test. Met dat verschil dat zich bij die conclusie en de aanblik van de woekerende vormen geen enkel gevoel aandiende. Pas toen er haren begonnen te groeien na een stuk tijd zonder definieerbare kaders, die wollig wuifden toen een briesje zijn weg naar binnen gevonden had door het gat waar eerder regen naar binnen druppelde, voelde ik iets. Een verlangen. Naar een deken. Misschien.

„George?” Hij blijft roerloos liggen, als weggegooid speelgoed. Toch is hij niet dood. Leer mij speelgoed kennen. Als ik goed luister hoor ik tussen het giftige gesmiespel van de gezichtsloze tinnen soldaten door zijn hartslag. Ik zou wel even ruzie met hem willen maken. Maar dat weet hij natuurlijk. Daarom geeft hij niet thuis. We zouden een fikkie moeten stoken. De tinnen soldaten moeten omsmelten en ze uit moeten smeren over het knutselwerk dat ons omringt. Nee, tin is niet echt stevig, en gaat reacties met zuren aan, maar soms moet je werken met wat je hebt. Ik heb een idee. „Aww, een poesje! Hoe kom jij hier nou binnen?” George schiet als een vuurpijl overeind. „Poes?! Waar? WAAR?!” „Jezus, George. Wat ben jij voorspelbaar.” Zijn onderlip begint te trillen, zijn ogen vullen zich als twee bekraste glazen met kalkafzetting. Halfvol, uiteraard. Het is jammer dat ik hem niet kan troosten. Maar hij is wel wakker. Die lapzwans.