Recensie

Hongeren naar de Apocalyps

Jihadisme Is jihadisme een radicalisering van de islam of een islamisering van het radicalisme? Uiteenlopende visies op het wie, wat, waarom – en op het Einde der Tijden.

ILLUSTRATIE Ospaaal / bewerking NRC

Genoeg is genoeg, zei de Britse premier May na de derde aanslag van islamitische terroristen in korte tijd. Er was te veel tolerantie geweest voor radicalen en hun ideeën. Het gaat ook maar door; in Nederland acht vier op de tien ondervraagden de kans op een aanslag groot, aldus het CBS.

Het leidde tot een hernieuwde roep om daadkracht. Tijd om op te houden met softe pogingen tot ‘begrip’ en het echte probleem aan te kaarten: de islam. Want, klonk het ook hier, zoeken naar ‘diepere oorzaken’, dat deden we toch ook niet bij het nationaal-socialisme?

Maar dat doen we natuurlijk juist wel. Over de achtergronden van het nazisme zijn bibliotheken volgeschreven. En zo zijn er, terecht, al boekenkasten vol over de achtergronden, oorzaken en ideologie van de radicale islam.

Er is een markt voor, zeker voor de meer massieve diagnoses. Getuige bijvoorbeeld het relatief stille verkoopsucces (het boek is niet in deze krant besproken) van Waarover men niet spreekt (2015) van de Vlaming Wim van Rooy, een vuistdikke aanklacht tegen de islam. In woedend proza maakt Van Rooy een spengleriaanse analyse: het weke Westen kan niet op tegen de brute geloofsdrift van de islam. De jihadisten zijn er de bloedige voorhoede van, maar als puntje bij paaltje komt zal de massa van gelovigen zich naar hen voegen.

De overtuiging dat Europa ‘zelfmoord’ aan het plegen is door de combinatie van een ongebreidelde immigratie en islam beheerst ook The Strange Death of Europe (2017) van de Britse journalist Douglas Murray. Uit zulke boeken stijgt een cultuurpessimisme op dat aansluit bij het angstbeeld van een kolonisatie of ‘omvolking’ van Europa door moslims en Afrikanen, een conspiratieve dystopie die maar één uitweg lijkt te bieden: deportatie.

Zoete broodjes

Mag het ook een tandje minder? Verder zuidwaarts, voorbij Vlaanderen, is een rijke en subtiele, analytische literatuur over het jihadisme en de radicale islam ontstaan. Dat is werk van experts die zich niet verliezen in Koran-exegese of pessimisme, maar ook geen zoete broodjes bakken. Tot die auteurs horen Gilles Kepel en Olivier Roy, van wie de jongste titels onlangs in Engelse vertaling zijn verschenen. De politicoloog Kepel (1955) doet al decennia onderzoek naar de Franse islam, zijn vakgenoot Roy (1949) maakte naam met L’échec de l’islam politique (1992), waarin hij betoogt dat de politieke islam, in het bijzonder die van de Iraanse theocratie, gedoemd is te mislukken.

In de Franse media staan de twee geregeld op een interessante manier tegenover elkaar, in een beschaafde polemiek met Gallische speldenprikken. Hun analyses van het jihadisme lopen sterk uiteen. Met een slagzin van Roy: Kepel ziet het als een radicalisering van de islam, Roy als een ‘islamisering van het radicalisme’.

Kepel prijst de ‘kalme onverzettelijkheid’ van Europese bevolkingen tot dusver

Dat is geen woordspelletje. Voor Roy zijn de Europese jihadisten een nieuwe versie van een antiwesters radicalisme dat zich eerder tooide met de veren van Marx en Lenin. Het is een generatiegebonden incarnatie van een gewelddadige onderstroom in de moderne wereld: een opstand tegen gehate vaders en autoriteiten. Zijn suggestie is dat die opstand van voorbijgaande aard is en, mits met een koel hoofd, beheersbaar.

Kepel daarentegen signaleert wereldwijd de gestage opkomst van een ‘derde generatie’ islamitische terreur (na de moord op de Egyptische president Sadat in 1981 en de aanslagen van 11 september 2001), die het slagveld doelbewust naar Europa heeft verlegd. Oogmerk: met willekeurige aanslagen op burgers een ‘islamofobe’ reactie ontketenen die de samenleving splijt, met als resultaat een virtuele of reële burgeroorlog. Het oude continent zal dan bezwijken, het gedroomde kalifaat verrijzen.

Dit is een illusie en Kepel prijst de ‘kalme onverzettelijkheid’ van Europese bevolkingen tot dusver. Niettemin, er is meer dan genoeg reden tot zorg: de kennisachterstand van de geheime diensten, het falen van het onderwijs, de politieke en sociale vervreemding van moslims, en de opkomst van een xenofoob populisme dat de zaken op de spits drijft.

Waar baseren de twee hun uiteenlopende benaderingen op?

Doorslaggevend bij Kepel is zijn overtuiging dat 2005 een ‘kernjaar’ was. Sinds dat jaar hebben ongelijksoortige ontwikkelingen samen een nieuwe vorm van jihadisme geproduceerd. Hij noemt de rellen in de banlieues, niet-religieus geïnspireerd maar al snel een recruteringsmarkt voor de jihad. Ook: de online publicatie van het manifest The Global Islamic Resistance, waarin wordt opgeroepen tot verzet in Europa; het falen van president Hollande, de hoop van het Franse islamitische electoraat; de gevolgen van de kredietcrisis, én de geboorte van YouTube, dat radicalisering kan helpen aanjagen.

Olivier Roy verwerpt Kepels idee van een ‘derde generatie’. Hij wijst erop dat het sociale profiel van jihadisten al decennia onveranderd is: telgen van de tweede generatie, opgegroeid tussen twee culturen, afkomstig uit allerlei milieus (nee, niet per se kansarme), gedrenkt in de populaire cultuur, behept met minimale kennis van de islam en vaak snel geradicaliseerd na een stuurloos leven vol drank, drugs en misdaad. Wat hun doelen betreft ziet hij geen nieuwe strategie: ook Al-Qaeda riep op tot actie tegen Charlie Hebdo, bloedige aanslagen op willekeurige burgers zijn evenmin nieuw.

Toch signaleert ook Roy wel degelijk een verschuiving. Nieuw is het huiveringwekkende ‘nihilisme’ van de huidige jihadisten en hun door IS geïnspireerde hang naar geweldsporno. Uit pure doodsdrift (‘wij houden meer van de dood dan jullie van het leven’) storten ze zich in het verlangen naar een apocalyptische zuivering en het Einde der Tijden. Het kalifaat is daarbij maar een alibi, aldus Roy, concrete doelen zijn er niet. Of het moet zijn, zoals hun RAF-voorgangers uit solidariteit met Vietnam, de oorlog naar Europa te brengen.

Roy relativeert het gevaar sterker dan Kepel; Europa is niet op sterven na dood, de islam ‘neemt’ de samenleving niet ‘over’. Hij is ervan overtuigd dat het jihadisme een ‘smalle sociale basis’ heeft – het mobiliseert niet de massa’s, zoals het nazisme of communisme, maar rebellen aan de rand van de samenleving.

Van deze boeken blijft dat van Kepel het dichtst bij de Franse situatie. Roy put uit een abstracter vaatje, met een talent voor speculatieve sociologie en polemiek. Dat maakt zijn boek prikkelender, maar ook controversiëler. Zo geeft hij een onbevredigend antwoord op de vraag waarom de veelal jonge extremisten nu juist kiezen voor de islam. Op de keper beschouwd meent Roy dat de islam, na het echec van subversief links in Europa, ‘het enige product op de markt’ is voor rebellen. Dat kan voor een deel waar zijn, maar is de IS-rebellie op de Filippijnen of in Nigeria dan ook zulk opportunistisch nihilisme? Dat is te mager. Nihilisme is bovendien een begrip dat wel tot de verbeelding spreekt, maar weinig verklaart. Eind jaren dertig populair gemaakt door Hermann Rauschning om de nazi-revolutie te interpreteren, is het begrip door latere historici ervan verlaten: ook de nazi’s hadden actief mobiliserende ‘idealen’, hoe pervers ook.

Harde aanpak

Toch zijn ook de overeenkomsten tussen beide auteurs interessant. Zowel Roy als Kepel is wars van populisme en het apocalyptische idee van een Europese zelfmoord. Kepel, die een harde aanpak van terroristen niet schuwt, waarschuwt dat de vereenzelviging van islam met terrorisme of fascisme, populair onder hardcore islamcritici, nu juist bevordert wat de terroristen najagen: polarisatie en burgeroorlog. Roy hekelt het ‘essentialisme’ over de islam in de media, dat de ‘IS-fantasie’ volgens hem in de kaart speelt.

Wat dan? Kepel signaleert een ideologische malaise in de Republiek en roept op tot hernieuwd elan voor het klassieke burgerschapsideaal. Daar hoort bij dat moslims niet louter worden aangesproken op of via hun godsdienst of ‘religieuze leiders’. Roys kapittelt op zijn beurt het activisme van de Franse overheid, omdat die (zoals met het verbod op de hoofddoek in het onderwijs) de islamitische middenklasse van zich dreigt te vervreemden. Hij rekent op een Franse islam die ‘niet per se liberaal’ is maar ‘wel te verenigen met de moderne samenleving’.

Ook relevant voor Nederland: Roy kraakt een grimmige noot over het begrip ‘deradicalisering’, waar we volgens hem van af moeten omdat het jihadisten zielig maakt en medicaliseert alsof ze een soort alcoholisten zijn (‘Dokter, ik kan er niets aan doen, als ik langs een café loop, moet ik met mijn kalasjnikov gaan schieten, helpt u mij!’). Jihadisten moeten de consequenties van hun daden én opvattingen dragen.

Gelukzoekers

Nederlandse jihadisten van de Nederlandse terrorismeonderzoekers Edwin Bakker en Peter Grol biedt zes uitvoerige portretten van geradicaliseerde jonge moslims die goed bij de voorgaande titels aansluiten. Evenals Roy en Kepel stellen zij dat er niet één overzichtelijk sociaal profiel van hen bestaat. Anderzijds, bepaalde overeenkomsten zijn er wel: ook de Nederlandse jongeren in dit boek zijn militante rebellen, die zich met het fanatisme van bekeerlingen op hun nieuwe geloof storten. Zoals de ‘Kralingse kakker’ Thijs, die uiteindelijk als IS-strijder naar Syrië vertrekt.

Opvallend genoeg deinzen Bakker en Grol in hun nabeschouwing categorisch terug voor generalisaties en bieden ze nauwelijks handvatten voor generiek beleid. Jihadisten zijn nu eenmaal ‘niet te herkennen’, concluderen ze, het gaat om maatwerk. En met de kans op een aanslag zullen we ‘simpelweg moeten leren leven.’

Noem dat maar simpelweg.

De overeenkomsten in deze portretten lijken niettemin haakjes te bieden, hoe klein ook. Bij een patroon van radicale opvattingen en gedrag kan het licht op oranje of rood springen – en ingrijpen van scholen, sociale instanties of politie geboden zijn. Al blijft het afwegen en balanceren; doel moet immers zijn het Umfeld van extremisten te verkleinen, in plaats van het te vergroten. Louter hopen dat het voorbijgaat, is in elk geval onvoldoende. Ook een gefantaseerde apocalyps is niet iets om af te wachten.