Wandelen langs het front in Slovenië

De Walk of Peace is een prachtige wandeltocht in Slovenië. In WOI vielen aan dit front honderdduizenden doden. Deze zomer, honderd jaar na dato, wordt dat groots herdacht.

Langs de route van de Walk of Peace wemelt het van gedenktekens, oorlogskerkhoven en andere overblijfselen van de Grote Oorlog.

‘Kijk, dat is er een van de Italianen.” Leon Cetrtic bukt zich en raapt een oude kogel op. Even verderop pulkt hij twee loden granaatkogeltjes ter grootte van een flinke bosbes uit de aarde. Leon heeft een scherp oog voor dit soort overblijfselen. Als we bij de bergtop Mrzli Vrh aankomen ziet hij iets in de struiken. Hij verdwijnt even en komt dan tevoorschijn met een loodzware granaat, zonder bovenkant gelukkig. „Twee weken geleden vond iemand op de Kolovrat-bergrug nog een intacte granaat. Hij gooide ’m van de helling af. Levensgevaarlijk.”

Ongelofelijk maar waar: de Eerste Wereldoorlog maakt nog steeds slachtoffers, vertelt Leon. De afgelopen tien jaar zijn een stuk of vijftien mensen overleden of zwaargewond geraakt door oude munitie. De meesten waren verzamelaars die blindgangers openmaakten om ze thuis te kunnen bewaren.

Gids Leon Cetrtic leidt me langs enkele hoogtepunten van de Walk of Peace, een wandelroute vanaf de Sloveens-Italiaanse grens boven het stadje Bovec tot aan Triëst. Het traject voert in vijftien etappes langs het Isonzofront, een van de belangrijkste slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. Het is dit jaar honderd jaar geleden dat het front doorbroken werd, in een van de grootste bergoffensieven aller tijden; het was de belangrijkste doorbraak tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Het noordelijke deel van de Walk of Peace, rond de stadjes Bovec, Kobarid en Tolmin, is het mooiste en interessantste. Rond Mrzli Vrh bijvoorbeeld lagen de strijdende partijen op slechts tien à twintig meter van elkaar in de loopgraven, nu is het één van de zes openluchtmusea in het gebied. Het majestueuze berglandschap is hier adembenemend mooi, zeker als de zon schijnt. Koeien grazen vredig op de bergweide net onder de top. Een handvol kaasboeren gebruikt hun melk om de fameuze Tolminc te maken, de kruidige bergkaas waar Tolmin bekend om staat. In de wei zijn nog resten van loopgraven te zien vanwaaruit men elkaar met vlammenwerpers, gifgasgranaten en ander oorlogstuig bestookte. Vreemd om te bedenken wat er in dit prachtige decor allemaal aan menselijk vernuft is ingezet om anderen te doden.

Grenspaaltje

Een dag later bezoek ik het openluchtmuseum op de Kolovrat-bergrug, tussen Kobarid en Tolmin. Het is een van de boeiendste bezienswaardigheden langs de Walk of Peace, vooral omdat er hier, pal tegen de Italiaanse grens, een paar honderd meter aan loopgraven, bunkers en observatieposten is gerestaureerd. Een grenspaaltje markeert waar de grens lag vóór de Eerste Wereldoorlog en ná de Tweede Wereldoorlog; Joegoslavische grenswachten schoten er in de Koude Oorlog nog Oost-Europese vluchtelingen dood.

Vanaf de Kolovrat-bergrug kijk je uit over de Friulivlakte rond Udine. Bij helder weer is in de verte de Adriatische Zee te zien. Aan de andere kant van de bergrug hadden de Italianen in de Eerste Wereldoorlog zicht op de vallei van de Soca, een schitterende bergrivier met een onwezenlijke blauwgroene kleur die in het noordwesten van Slovenië ontspringt. Vrijwel langs de gehele loop van de rivier bevond zich het 90 kilometer lange Isonzofront, genoemd naar de Italiaanse naam voor de Soca; Ernest Hemingway schreef er zijn anti-oorlogsroman A Farewell to Arms over.

Het Isonzofront is bij ons minder bekend dan het front in Noord-Frankrijk en Vlaanderen, maar het was er niet minder gruwelijk. Aan het gehele Alpenfront, van de Stelviopas op de Zwitsers-Italiaanse grens tot aan Triëst aan de Adriatische Zee, vielen naar schatting een miljoen doden; bij het Isonzofront sneuvelden alleen al zo’n 300.000 manschappen. Volgens Hemingway werd dit het ‘schilderachtige front’ genoemd, vanwege het prachtige berglandschap.

Het Isonzofront ontstond nadat Italië op 24 mei 1915 de oorlog aan Oostenrijk-Hongarije verklaarde. Een dag later al staken de Italianen de grens over en namen ze de berggebieden aan de westkant van de Soca in, inclusief het stadje Kobarid (Carporetto in het Italiaans, Karfreit in het Duits). Verder kwamen ze niet, want de Oostenrijks-Hongaarse troepen hielden stand in de bergen aan de oostzijde van de rivier. Bijna tweeëneenhalf jaar lang lagen beide partijen vervolgens in een patstelling tegenover elkaar. Vanaf het dal tot boven op de bergtoppen werden verdedigingslinies met loopgraven, gangenstelsels, geschutsposities en observatieposten aangelegd.

De Italianen voerden vanaf 1915 elf vergeefse offensieven uit, waarbij net als in Noordwest-Europa talloze soldaten de dood in werden gejaagd. In de strenge winters vielen hiernaast zo’n 60.000 doden door lawines en andere ontberingen. De doorbraak kwam uiteindelijk tijdens het twaalfde offensief, dat vanaf 24 oktober 1917 plaatsvond. Doorslag gaven zes Duitse divisies die speciaal waren overgebracht om de Oostenrijks-Hongaarse troepen bij te staan in wat de Slag bij Kobarid zou gaan heten. Alleen al in de eerste zes uur van het offensief vuurden de aanvallers twee miljoen granaten af, waaronder tienduizenden gifgasgranaten. De Italianen werden onder de voet gelopen en trokken zich terug tot aan de Piave, een rivier net ten oosten van Venetië. De slag ging bij de Duitsers de geschiedenisboeken in als ‘Das Wunder von Karfreit’ (Het Wonder van Karfreit), voor de Italianen is het een van de grootste nederlagen uit hun geschiedenis. Sterker nog, ‘Carporetto’ maakte de weg vrij voor het fascisme in Italië, een episode die de Italianen ook liever vergeten.

Oorlogskerkhoven

In de hele Socaregio wemelt het van de gedenktekens, oorlogskerkhoven en andere overblijfselen van de Grote Oorlog. Als je de Walk of Peace volgt kun je het allemaal zien. Vlak buiten Kobarid staat bijvoorbeeld een imposant ossuarium waarin Benito Mussolini in de jaren dertig de overblijfselen van tweeduizend Italiaanse soldaten liet herbegraven. In dezelfde periode werden duizend Duitse doden bijgezet in een ingetogen ossuarium bij het stadje Tolmin. Niet ver van Mrzli Vrh staat de Oostenrijks-Hongaarse herdenkingskapel van Javorca eenzaam in de bergen, een prachtig houten jugendstilkerkje uit 1916. De Russen hebben een Russisch-Orthodoxe herdenkingskapel bij de Vrsic-pas, in 1916 opgericht voor de gestorven Russische krijgsgevangenen die de weg over de pas moesten aanleggen; vorig jaar kwam Vladimir Poetin nog langs om eer te bewijzen.

In het centrum van Kobarid is het bekroonde Kobaridmuseum geheel aan de gebeurtenissen in de Eerste Wereldoorlog gewijd. Een bezoek is eigenlijk een must als je wil begrijpen wat er destijds gebeurde. Men maakt er geen onderscheid tussen good guys en bad guys maar probeert een boodschap van vrede uit te dragen. Vooral aan de hand van oude foto’s en filmbeelden is goed te zien wat de oorlog voor de gewone soldaat betekende. Er hangt ook een groot portret van Hemingway in het museum.

Deze zomer komen hoogwaardigheidsbekleders uit verschillende landen langs in de Socaregio om hun doden te herdenken. De Oostenrijks-Hongaarse troepen waren namelijk een afspiegeling van het Habsburgse veelvolkerenrijk: Oostenrijkers, Hongaren, Tsjechen, Slovenen, Bosnische moslims, Kroaten, Duitsers, Slowaken, Roemenen, Serviërs en Oekraïners streden zij aan zij ter meerdere eer en glorie van de Habsburgse keizer. Zij zouden zich ongetwijfeld hebben herkend in deze historische uitspraak: ‘Wat hebben we allemaal voor ons land gedaan! Sommigen van ons zijn gesneuveld, anderen hebben toespraken gehouden.’