Een omstreden taxidienst voor migranten

Migratie Bootmigranten worden steeds vaker voor de kust van Libië opgepikt door hulporganisaties. Zo vaak, dat lijntjes met mensensmokkelaars worden vermoed. Onzin, zeggen de helpers. ‘Wat wij doen is eigenlijk een plicht van de Europese landen.’

Vluchtelingen die op 22 juni 2017 zijn gered uit een rubberboot in de buurt van Libië. Foto Emilio Morenatti/AP

Er is de afgelopen maanden iets wezenlijks veranderd in de stroom migranten die via Libië naar Europa proberen te komen. Steeds vaker worden bootmigranten niet ver van de Libische kust opgepikt door schepen van hulporganisaties als Artsen zonder Grenzen en SOS Méditerranée – en naar Italiaanse havens gebracht.

Tot 30 april 2017 zijn er 320 noodsituaties geweest, heeft de Italiaanse kustwacht becijferd (53 procent meer dan in dezelfde periode vorig jaar). Meer dan eenderde van het aantal geredde mensen werd uit zee gehaald door non-gouvernementele organisaties (ngo’s). Dat is meer dan het percentage dat door de kustwacht werd gered: 29. Daarmee zijn de ngo’s de belangrijkste redders, ver voor de schepen van Frontex (de controleur van de Europese buitengrenzen, 7 procent) en de militaire EU-eenheid die mensensmokkel bestrijdt (9 procent).

NRC studio

Volgens sommige Italiaanse media hebben hulporganisaties zo een taxidienst voor migranten opgezet. Zelf zeggen hulporganisaties dat ze mensen van de verdrinkingsdood proberen te redden omdat niemand anders dat – met voldoende toewijding – doet. „Onze humanitaire hulp is altijd een reactie op ongebruikelijk hoge sterfte, bij ziekte of anderszins”, zegt Ellen van der Velden, landencoördinator Libië voor Artsen zonder Grenzen.

Om zo goed mogelijk te kunnen helpen, positioneren hulporganisaties hun schepen dicht bij de plaats waar bootrampen dreigen, zo’n 25 tot 40 kilometer buiten de Libische westkust. Italië is daar zo’n 250 kilometer vandaan.

Maar die nabijheid is ook in het voordeel van mensensmokkelaars. Zij hebben dan niet per se mensen nodig die op zee kunnen navigeren en kunnen goedkopere bootjes gebruiken. Dat dit ook gebeurt blijkt uit de cijfers. In 2015 werden 676 keer mensen van een rubberboot gered en 216 keer van houten vissersschepen. Een jaar later: 1.094 keer een redding van rubberboten en 71 keer van grotere houten schepen. De opvarenden krijgen hooguit nog een kompas mee. In 2015 had 80 procent van de bootjes nog een (dure) satelliettelefoon bij zich voor noodgevallen; in 2016 nog maar 45 procent.

Moet de sterke stijging van het aantal bootmigranten via Libië zo worden verklaard? Dit jaar waren het er tot 14 juni ruim 65.450, volgens cijfers van de Internationale Organisatie voor Migratie, tienduizend meer dan in dezelfde periode vorig jaar. De rubberboten, vaak van inferieure Chinese makelij, worden steeds voller: een paar maanden terug zaten er nog honderd man op een boot, nu soms tegen de 150. Mogelijk verklaart het gebruik van rubberboten ook dat op dit stuk zee relatief veel mensen verdrinken. Tot 14 juni kwamen dit jaar 1.737 mensen om. Door de verwachte korte afstand die op zee moet worden afgelegd, is windkracht vier of vijf niet langer een reden om aan wal te blijven.

Een politicus die nauw bij het Europese migratiebeleid is betrokken zegt, op voorwaarde van anonimiteit: „Het deugt wel, wat die ngo’s doen. Maar het klopt niet.”

‘Uitschot’

Er zijn ook mensen die vinden dat het niet deugt. Na een weekeinde waarin 8.300 mensen van onveilige bootjes werden gehaald, zei Matteo Salvini van de Italiaanse anti-migratiepartij Lega Nord dit voorjaar dat migranten „bijna van huis worden opgehaald”. Volgens de openbare aanklager in de Siciliaanse stad Catania zijn hulporganisaties buiten regeringen om „een corridor aan het scheppen die toegang tot Italië biedt”. Hij is bezig met een vooronderzoek.

De extreem-rechtse Belgische activist Rob Verreycken noemt ngo’s in de Belgische krant De Standaard zelfs „uitschot”. „Ze helpen mee om die overtochten te organiseren en brengen zo terroristen en verkrachters Europa binnen.” Verreycken schaarde zich achter een plan om geld in te zamelen voor een boot waarmee reddingsacties van hulporganisaties gehinderd kunnen worden.

Axel Grafmanns, voorzitter van de Duitse hulporganisatie Sea Watch, ontploft bijna als hij zulke kritiek hoort. „Wij proberen levens te redden van mensen die anders zouden doodgaan”, zegt hij. „Het is een schandaal dat zoiets nodig is op de drempel van Europa.”

Het is niet dat Europa helemaal niets doet. Na de ramp bij het Italiaanse eilandje Lampedusa (oktober 2013, ten minste 300 doden) zette de Italiaanse regering operatie Mare Nostrum op. Vijf marineschepen en een aantal vliegtuigen werden ingezet om sneller hulp te kunnen bieden aan mensen die op zee in de problemen raken. Het kostte handenvol geld, volgens Italiaanse bronnen negen miljoen euro per maand. Maar een jaar later, deels uit geldgebrek, deels om andere Europese landen duidelijk te maken dat Italië dit probleem niet alleen kon blijven oplossen, werd Mare Nostrum gestaakt.

Er kwamen andere operaties voor in de plaats. Frontex, de controleur van de Europese buitengrenzen, begon met de operatie Triton: schepen en vliegtuigen uit vijftien EU-landen, waaronder Nederland, gingen patrouilleren op de Middellandse Zee. En in juni 2015, na weer een ramp, begon de EU de militaire operatie Eunavfor Med. Maar waar Mare Nostrum was opgezet als reddingsoperatie, was Triton in eerste instantie een manier om de buitengrenzen van de Europese Unie te bewaken, en Eunavfor Med om mensensmokkel aan te pakken. Bovendien patrouilleerden deze schepen ver buiten de kust van Libië.

Lees ook: Niemand kon op tijd te hulp schieten, over 29 migranten die van de kou stierven op de Middelandse Zee.

Het einde van Mare Nostrum en de reeks rampen met bootvluchtelingen vormden de directe aanleiding voor oprichting van hulporganisaties als Sea Watch, Sea Eye en SOS Méditerranee – alle drie begonnen in Duitsland. Ook andere, bestaande organisaties wilden proberen nieuwe verdrinkingsdoden te voorkomen. Voor de kust van Libië zijn naast de genoemde drie actief: MOAS, Artsen zonder Grenzen, Proactiva Open Arms Barcelona, Life Boat, Jugend Rettet, Boat Refugee, en Save the Children. Sommige bieden assistentie zonder mensen aan boord te nemen, andere kunnen plaats bieden aan grote aantallen mensen.

Wie betaalt dat allemaal

Grafmanns van Sea Watch en Van der Velden van Artsen zonder Grenzen benadrukken dat ze niets anders doen dan de internationale afspraken over Search and Rescue nakomen. „Wat wij doen, zorgen dat er snelle Search and Rescue-operaties mogelijk zijn, is eigenlijk een plicht van de Europese landen”, zegt Van der Velden. „En natuurlijk gaan we daarbij dicht bij de plaatsen zitten waar de meeste noodsituaties ontstaan.”

Carmelo Zuccaro, de openbare aanklager in Catania, vermoedt dat het ingewikkelder ligt. Hij onderzoekt of er contact is – of is geweest – tussen opvarenden van de hulpschepen en mensensmokkelaars. Hij zegt geen concrete aanwijzingen te hebben voor directe samenwerking tussen hulporganisaties en mensensmokkelaars, maar heeft wel een aantal vragen. Wie betaalt dat allemaal? Gaan de hulpschepen niet af en toe de territoriale wateren van Libië in om mensen op te pikken? Kunnen de mensensmokkelaars via het zogenoemde Automated Identification System niet precies zien waar de hulptroepen staan te wachten en hun mensen daarop af sturen? Verlopen die acties wel volgens het boekje? En waarom leiden die reddingsacties er altijd toe dat de bootmigranten naar Italiaanse havens worden gebracht?

Al deze vragen werden de afgelopen maanden aan de hulporganisaties gesteld in parlementaire hoorzittingen in Italië. Geld? Dat komt van donateurs, zeggen de ngo’s, voor de overgrote meerderheid particulieren. Operaties binnen de territoriale wateren? Alleen als er een acute noodsituatie is en op uitdrukkelijk verzoek van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum in Rome. De radiosignalen van het Automated Identification System zijn inderdaad via internet te volgen, maar dat maakt het nog niet gemakkelijk een rendez-vous buiten de territoriale wateren te organiseren.

Vluchtelingen uit Afrika arriveren op het strand nadat ze zijn gered door de kustwacht van Libië. Foto Mahmud Turkia/AFP

Op eigen houtje

Alle in Italië ondervraagde organisaties – en ook Van der Velden en Grafmanns – benadrukken dat ze niets doen buiten het Coördinatiecentrum in Rome om. Soms krijgt het centrum van andere schepen een melding van een noodsituatie. Als ngo-schepen zelf een boot met problemen zien, nemen ze contact op met het centrum voor instructies – die dan beginnen met de opdracht om hulp te bieden. Suggesties van Italiaanse politici dat hulporganisaties op eigen houtje migranten oppikken, worden unaniem en stellig van de hand gewezen.

Dat het Coördinatiecentrum in Rome zo vaak wordt gebeld, heeft te maken met de manier waarop de Middellandse Zee is ‘verdeeld’. Volgens de internationale afspraken moet ieder land aangeven voor welk gebied het verantwoordelijkheid neemt. Libië en Tunesië hebben dat niet helder gedaan, zodat er in de internationale wateren voor de kust van Libië een juridisch vacuüm bestaat – dat in de praktijk wordt opgevuld door Italië.

Dat verklaart ook grotendeels waarom vrijwel alle geredde bootmigranten naar Catania, Trapani, Augusta, Pozzallo, Porto Empedocle, Palermo of andere havens in Zuid-Italië worden gebracht. Volgens de regels hoort bij het redden van mensen op zee ook, dat ze naar een veilige haven in de nabijheid worden gebracht. Libië valt af, gezien het geweld en de mishandeling waaraan veel migranten worden blootgesteld. Tunesië ligt geografisch voor de hand, maar dat land werkt niet volledig mee met Search and Rescue-operaties – en staat ook zeker niet te popelen om grote groepen migranten op te nemen.

Omdat de ngo-hulpschepen die specifieke plaatsen voor de Libische kust hebben gekozen om te patrouilleren, zijn ze als er een noodoproep komt, vaak dichterbij dan vissers of vrachtvaarders. De koopvaardij is daarom blij met de hulporganisaties. Het komt nu minder voor dan twee jaar geleden dat vrachtschepen naar een boot in nood worden gestuurd.

„Vrachtschepen hebben vaak maar een man of twintig aan boord, soms nog minder”, zegt Peter Hinchliffe, secretaris van de International Chamber of Shipping. „De bemanning heeft geen medische ervaring, en de schepen hebben niet de faciliteiten om grote aantallen mensen in zulke omstandigheden op te vangen. Als er honderden mensen aan boord moeten worden gehaald, is dat een enorme uitdaging. En er komen altijd vragen: is er beschermende kleding nodig, zoals de Italiaanse Kustwacht draagt? Wat als er mensen gewond raken, wie is dan aansprakelijk?’’

Hij prijst het optreden van de ngo’s. „In mijn ogen doen ze fantastisch werk. Ze redden mensen.” Hij vindt dat Europese landen blij mogen zijn dat de hulporganisaties op deze manier proberen te voorkomen dat honderden mensen verdrinken. Maar hij constateert ook dat vrachtschepen dit jaar alweer meer hulp hebben moeten bieden dan vorig jaar. „Hier is geen sprake meer van normale Search and Rescue-operaties. Dat systeem berust op de gedachte dat een schip altijd te hulp moet schieten als een ander schip in nood is. Het is een noodprocedure, voor incidentele, onvoorziene gevallen. Maar dit is heel iets anders geworden. Europa moet een andere oplossing zoeken dan vertrouwen op Search and Rescue door ngo’s en vrachtschepen.”

Exodus

Iets vergelijkbaars zegt Ambrogio Cartosio, openbare aanklager in Trapani. Hij is minder kritisch over de rol van de ngo’s dan zijn collega in Catania, aan de andere kant van Sicilië. We zijn er niet met justitiële onderzoeken en meer politiecontrole, zei hij voor de parlementscommissie. „Persoonlijk geloof ik […] dat het om een historische exodus gaat, die op een volledig ander platform moet worden aangepakt.”

Maar dat wil niet zeggen dat hij geen twijfels heeft over hoe het nu gaat. Aan het einde van de hoorzitting kreeg hij nog een laatste vraag. Of hij kon „bevestigen, zonder namen te noemen, dat er op de schepen van ngo’s mensen waren die op de hoogte waren van de datum en de plaats op zee waar de rubberboot of boot in distress zich zou bevinden. Cartosio: „Het antwoord is ja.”

Het onderzoek loopt nog.