Column

Een dement oud-Kamerlid (D66) en de nieuwe kloof over voltooid leven

Deze week: een dement oud-D66-Kamerlid met een voltooid leven.

Ofwel: de praktische dilemma’s rond euthanasie en de culturele kloof tussen D66 en CU.

Anderhalve week terug kreeg ik mail van een mij onbekende man, J.F. Versnel, die de echtgenoot van een voormalig D66-Kamerlid bleek te zijn.

Hij schreef over de dementie van zijn vrouw, de voltooidheid van haar leven, en haar onvervulde verlangen naar euthanasie – dit in het licht van de kabinetsformatie.

Daags na de mislukte tweede onderhandelingsronde met GroenLinks, vorige week maandag, had ik kort in de krant geschetst dat nu de druk op D66 zou toenemen alsnog te gaan onderhandelen met de ChristenUnie.

Dit bevreesde Versnel zéér. „Als er nog iets gedaan kan worden aan de toestand van mijn vrouw”, schreef hij in de mail, „dan moet dat door D66 gebeuren. Haar partij! Een coalitie met de CU maakt dat onmogelijk.”

Ik was niet zeker of die analyse klopte. Maar het mailtje maakte me nieuwsgierig naar zijn verhaal, en dat van zijn vrouw.

Zo voerden Hans Versnel en ik vorige week woensdag een lang gesprek over het privéleven van een oud-politica, haar levensavond, haar partij, en de regeringsvorming.

Nooit eerder kreeg ik de dilemma’s van de culturele kloof tussen D66 en de CU zo helder uiteengezet.

Intussen voltrok zich in Den Haag het scenario dat we allemaal voorzagen: informateur Herman Tjeenk Willink bracht D66 en CU steeds dichter bij elkaar, en woensdag besloot D66-voorman Alexander Pechtold te gaan onderhandelen met de partij die hij eerder een ongewenste coalitiepartner noemde.

Dezelfde Pechtold, vertelde Versnel, was tijdens de campagne nog op bezoek in het verpleegtehuis van zijn vrouw, het voormalige Tweede Kamerlid Machteld Versnel-Schmitz (1989-1998).

Hans Versnel schrok dat de partijleider bodyguards had – de verharding van de politiek stond ineens in de deuropening.

Evengoed zag hij ook dat het klikte tussen Pechtold en zijn vrouw. Zoals het met vele politieke kopstukken klikte die haar opzochten, vaak D66’ers: behalve Kamerlid was Machteld Versnel (76) raadslid, Statenlid en betrokken bij een eindeloze reeks partijcommissies.

Een D66-dame: vrijgevochten, kritisch, zelfverzekerd. In de jaren zeventig was ze de persoonlijk medewerker van partijleider Jan Terlouw. De band met Terlouw is altijd gebleven. „Jan was veeleisend”, zei Hans Versnel. „Machteld voldeed daar graag aan.”

De Alzheimer sluimerde al toen ze twee jaar terug een hartinfarct kreeg. Sindsdien kan ze niet meer lopen. Ze kan zich alleen nog bewegen in een rolstoel.

Laatst kwam Martin van Rijn langs, de staatssecretaris van Volksgezondheid; Machteld Versnel en hij leerden elkaar kennen toen zij in de Kamer volkshuisvesting deed en hij topambtenaar in die sector was.

„Van Rijn voerde een invoelend gesprek, ze zaten zó fijn te praten”, vertelde Versnel. Maar hij was de deur nog niet uit of zijn vrouw zei: „Wie ís die man?”

Het echtpaar leidde een leven van aanzien en betrokkenheid. Hij zat lang in het ontwikkelingswerk en verzeilde in de PvdA. Later was hij onder meer bestuursassistent van de burgemeester van Utrecht.

Zij was, naast haar vele D66-bezigheden, beleidsambtenaar op Binnenlandse Zaken. Na haar Kamerlidmaatschap werkte ze nog jaren bij Natuurmonumenten. Een mens met honger naar het leven. Bij haar afscheid van de Kamer, in 1998, zei ze in het Utrechts Nieuwsblad: „Ik wil nog iets anders gaan doen en als ik te lang wacht ben ik dood.”

Vanzelfsprekend, vertelde hij, gingen ze bijtijds nadenken over een euthanasieverklaring: hij en Machteld zouden onder geen beding eindigen in een verpleegtehuis. Ze bezochten hun huisarts diverse keren. De verklaring opstellen nam één à twee jaar in beslag. Een oprechte wens, evengoed deel van een levensstijl.

Hij stuurde me oude krantenknipsels over euthanasie met handgeschreven notities van haar. „Zo begaan was ze met het onderwerp.”

Maar ze kreeg niet wat ze wilde. Na het infarct vroeg de revalidatiearts in het verpleeghuis een bevestiging van haar euthanasieverklaring. Ze zei, volgens haar man: „Maar ik wil niet dood hoor. Ik heb zulke leuke kleinkinderen.”

Een second opinion door de Levenseindekliniek bracht de bevestiging: juridisch waren haar kansen op euthanasie vrijwel verkeken. Aan twee wettelijke vereisten – een mondelinge bevestiging van de schriftelijke wilsverklaring; uitzichtloos en ondraaglijk lijden – is in haar geval niet voldaan.

Hij vertelde over het voortreffelijke verpleeghuis waar ze woont. Als ze wil kan ze tot 11 uur uitslapen. Op zondagen zijn er geregeld koorconcerten, „dan kan ze uitbundig meezingen”. Flarden van geluk.

Ik vroeg: dan wil je toch niet dood? „Nee”, zei Hans Versnel, zonder aarzeling.

Het schrijnende was alleen dat Machteld hem in het geheugen gekerfd stond als de vrouw die vastbesloten was nooit - „nóóit” – op deze manier voort te leven.

„In het verpleeghuis zeggen ze: ze beseft niet dat ze hier zit.” Maar honderden D66’ers, zei hij, kennen haar als nooit aflatende kritische geest.

„Als dat voorbij is, zei ze altijd, hoeft het van mij niet meer.”

CU-leider Gert-Jan Segers, opperde ik, vindt dat hij en zijn zoons haar juist nu tot steun moeten zijn.

Een schoffering van haar individualiteit, zei Hans Versnel. „’Daar heeft Machteld nooit om gevraagd’, zei een van mijn zoons laatst. ‘Zou ze ook nóóit doen’, zei de ander.”

In feite, merkte ik, handelt deze discussie over veel méér dan alleen euthanasie of de voltooidheid van een leven. Deze discussie is ook een moderne sociale strijd, waarin het verlangen naar een zelfgekozen dood, of de weerzin daartegen, onze positie ten opzichte van de samenleving, onze identiteit, markeert.

Versnels natuurlijke redelijkheid was ineens verdwenen. „Ik wil voltooid leven niet aan Gert-Jan Segers of anderen opleggen”, zei hij, afgemeten. „Ik wil dat de wetgever mensen hier ruimte voor geeft, en die misgunt de CU ons.”

Ik aarzelde om het aan te snijden, maar het was zéér de vraag, zei ik, of het initiatief van Pia Dijkstra (D66), om mensen met een voltooid leven euthanasierecht te geven, verandering in de situatie van zijn vrouw zou brengen.

Ik vroeg het Pia Dijkstra zelf. Je kunt nooit van een arts vragen euthanasie te plegen op iemand die heeft gezegd dat ze niet dood wil, zei ze, ondanks haar begrip voor Hans en Machteld Versnel. „Ik zie ook niet hoe je daar wetgeving voor kunt maken.”

Hans Versnel had dit ook wel door. Hij benaderde deze discussie alleen anders. „Ik zie het initiatief van Pia als manier om verder te komen. Om de mogelijkheden verder op te rekken.”

Vandaar die diepe afkeer van regeren met de CU. „Het ergste dat we nu kunnen doen, is alles stilzetten omdat we straks met die mensen in een kabinet zitten.”

Maar het tragische was: zo ongeduldig als Hans Versnel was, zo traag was de wetgever op dit punt.

Paul Schnabel, eerder voorzitter van een commissie die nieuwe wetgeving voor voltooid leven afwees, vatte het bondig samen. Rutte II toonde zich vorig jaar in een Kamerbrief voorstander van nieuwe wetgeving – maar diende nog geen wetsvoorstel in. D66 kondigde een initiatiefwet aan – maar ook die ligt nog niet bij de Kamer.

„Het staat te bezien hoe dit afloopt”, zei Schnabel, tevens D66-senator. „De kans dat dit snel gaat lukken is erg klein.”

Het vatte de paradox aardig samen.

Nu we medisch-ethische dilemma’s politiseren in plaats van pacificeren, komen schrijnende situaties van mensen op hun levensavond beter in beeld, maar worden ze niet per se beter opgelost. Intussen leidt de politisering ertoe dat betrokkenen en belanghebbenden zich radicaler in plaats van redelijker opstellen.

Dus een politieke afspraak over dit thema lijkt me nogal geboden in deze formatie – maar dan zonder de politisering en polarisatie van het laatste jaar, die een oplossing alleen maar ingewikkelder hebben gemaakt.