Dit wisten we op 16 maart toch al?

Weekboek Formatie

Honderd dagen praten om uit te komen bij de coalitie die iedereen op verkiezingsavond al zag: was dat nou wel nodig?

Gert-Jan Segers (links) en Alexander Pechtold woensdag na hun etentje in het Indonesische restaurant Garoeda in Den Haag. Foto ANP / Bart Maat

Sinds woensdag is het één en al optimisme in de formatie. Politici die anderhalve week geleden nog zaten te somberen, hebben ineens een gelukzalige glimlach op het gezicht. Het gaat lukken met die formatie! De enige vraag is nog: staat het kabinet van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie vóór of na Prinsjesdag op het bordes?

Partijen zeiden het al maanden voor de verkiezingen: dit worden lange, lange onderhandelingen. Een kabinetsformatie in Nederland is nu eenmaal altijd een correctie op de vorige. In 2012 ging het snel, dus in 2017 moest het langzaam. Anders zouden de deelnemers, zo vreesden zij, eindigen als de PvdA: driekwart van de zetels foetsie bij de volgende verkiezingen.

Maar toch, honderd dagen formeren om uit te komen bij die ene coalitie die al op verkiezingsavond evident leek: valt dat uit te leggen? Een paar honderd Binnenhofbewoners snappen het misschien wel. Alle overige zeventien miljoen Nederlanders waarschijnlijk niet.

Laten we even de kranten erbij pakken van 16 maart, de dag na de verkiezingen. Vrijwel allemaal schreven ze: de kans is groot dat deze uitslag uitdraait op een coalitie van VVD, CDA en D66 en ChristenUnie. Er was nog een tweede optie voor een meerderheidskabinet: met GroenLinks. Die moest uiteraard verkend worden. Maar op D66 na wilde geen van de partijen zo’n coalitie.

Je zag het aan hun uitingen. Jesse Klaver (GroenLinks) adviseerde de verkenner om een kabinet te onderzoeken zonder de VVD en met de Partij voor de Dieren. Hij, Mark Rutte (VVD) en Sybrand Buma (CDA) lieten in die eerste dagen geen gelegenheid onbenut om te zeggen hoe groot de onderlinge verschillen waren.

Maar goed, ze gingen praten, onder leiding van informateur Edith Schippers (VVD). Meestal duurt zo’n eerste rondje met een ongewenste nieuwkomer niet zo lang. Jan Marijnissen (SP) stond in 2006 na een paar dagen buiten, zelfs het mythische Paars Plus (2010) was na tweeënhalve week alweer klaar.

Gesprekken met GroenLinks duurden onverwachts lang

Nu liep het anders. De onderhandelingen met GroenLinks duurden en duurden. Deels was dat door overmacht: de moeder van Klaver overleed, Rutte en Buma hadden buitenlandse reisjes, Pasen, Koningsdag, Hemelvaart, etc. Deels was het van eigen makelij: Klaver wilde een papadag, een lange stoet deskundigen maakte zijn opwachting in de Stadhouderskamer, Schippers koos voor een omtrekkende onderhandelmethode die neerkwam op moeilijke kwesties parkeren.

Hoe langer het duurde, hoe meer de partijen – en dus ook de journalisten – begonnen te denken: misschien gaat dit toch wel lukken. Dat werd versterkt door de ChristenUnie-onvriendelijke teksten die VVD en CDA in die weken uitsloegen in de wandelgangen: Segers net zo links als Klaver, krappe meerderheid, mogelijke dissidenten. Dat was allemaal voor de bühne, kunnen we nu constateren.

Na twee maanden kwam de eerste breuk: GroenLinks en de ‘centrale drie’ werden het niet eens over migratie. Prima, hoort erbij, was te verwachten. Even een weekje of twee afsluiten, uitsluiten en verkennen, en er zou een nieuwe combinatie aan tafel zitten. De bekende ‘tussenfase’.

Een tussenfase vol geruzie en gedreig

Maar ook dat liep anders. Die twee weekjes werden anderhalve maand. Een tussenfase vol geruzie, onduidelijkheid, gedreig met nieuwe verkiezingen en een tweede, tamelijk lompe breuk met GroenLinks. Met als sleutelmoment: dinsdagavond 23 mei, toen Pechtold na een gesprek van drieënhalf uur met Segers constateerde dat de combi D66-ChristenUnie niet ging werken.

Er moest een vasthoudende informateur van 75 (Tjeenk Willink) aan te pas komen om eindelijk de vier bijeen te krijgen die het nu gaan doen. Hij haalde daarvoor een instrument van stal uit de kabinetsformatie van, hou je vast, 1973: brieven schrijven. Partijen moesten op schrift stellen waarom ze elkaar uitsloten – en toen bleef alleen nog de ChristenUnie over.

Je kunt zeggen: oké, het duurde eventjes, maar je dan heb je ook wat. Je kunt je ook afvragen: was deze 100 dagen-klucht écht nodig geweest?

Grappig genoeg geven alle betrokken partijen hetzelfde antwoord: nee, maar wij voelen ons niet als eerste aangesproken.

Bij GroenLinks valt te horen: het komt door de interne strijd bij de ‘centrale drie’ over de vierde partner.

Bij de VVD: het komt door Pechtolds bruskering van Segers.

Bij het CDA: idem, en waarom is Pechtold zo lang tegen beter weten in blijven hopen op de PvdA?

Bij VVD en CDA zeggen ze: er was geen echte wil bij GroenLinks.

En bij D66: er was geen echte wil bij GroenLinks, VVD en CDA. En zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Zo is het verloop van de eerste 100 dagen van deze kabinetsformatie vooral de schuld van anderen – als het aan de anderen ligt.

Eén winnaar is heeft het in ieder geval wel opgeleverd: Tjeenk Willink. De verwachtingen waren hooggespannen – en hij heeft ze waargemaakt. Alle betrokken partijen spreken met grote achting over de informateur. Misschien dat hij de klus ook helemaal kan afmaken?