Recensie

Beelden die lispelen, krijsen, en aan het lachen maken

Tentoonstelling Neem ruim de tijd om Raymond Pettibon in het Bonnefantenmuseum tot je te laten doordringen. Pak je het anders aan, dan raak je visueel uitgeput.

Raymond Pettibon, No Title (I was surprised), 2008. Foto Regen Projects

Vergeet de door Goethe aangeprezen regel die voorschrijft dat alleen in de beperking de kunst tot grote hoogten kan stijgen. Verdring het minimalistische ideaal van weinig moois in een oase van wit. Onderdruk je behoefte om te categoriseren, uit verschillende stemmen een verhaal te willen samenstellen met een kop en een staart, en liefst een happy end. Vergeet dit alles en dompel je dan onder in een taal die je tong schroeit, in beelden die lispelen, krijsen, je honend toespreken, verleiden, aan het lachen maken en afschrikken. Niets staat vast in het sardonische, maar oh zo vitale werk van de Amerikaanse kunstenaar Raymond Pettibon, behalve dat we allemaal, als surfers op een big wave, coke snuivend, jankend, fouten makend, oeverloos snaterend en breeduit lachend – onze dood tegemoet gaan.

A pen of all work heet het woest woekerende overzicht van de werken op papier die Raymond Pettibon – zijn naam komt van een koosnaampje dat zijn vader hem ooit gaf – nu in het Bonnefantenmuseum in Maastricht laat zien. De tentoonstelling (even een waarschuwing) is zo reusachtig dat ze veel tijd en aandacht vergt, én verdient. Kijk, neem een pauze, kom terug en kijk opnieuw. Pak je het anders aan, dan raak je overvoerd, visueel uitgeput. Neem dus zeker vier uur de tijd om Pettibon in zijn volle, onbegrijpelijke glorie tot je te laten doordringen.

Ruim zevenhonderd werken en een grote, fonkelnieuwe muurschildering zijn op de begane grond en de eerste verdieping van het museum samengebracht. De eerste werken zijn kindertekeningen, de eerste ‘serieuze’ werken dateren uit 1978. Op het meest recente werk – de muurschildering met denderende stoomtrein (een veelvoorkomend motief), een knalgroene hulk (ook veelvoorkomend), baseballspelers en veel meer – is de verf nog maar net droog. Dit aantal is slechts een kleine selectie van het ruim twintigduizend werken omvattende en nog steeds groeiende oeuvre van Pettibon. Het New Museum in New York – de eerste halteplaats van A pen of all work – werd vorig jaar compleet ontruimd voor de tentoonstelling.

Pettibon, in 1957 in Arizona geboren maar opgegroeid in hippiewalhalla Californië, begon als jochie striphelden en vliegtuigen na te tekenen. Later ging hij psychedelische elpeehoezen ontwerpen voor de punkband van zijn broer en andere bands. Dat klinkt lekker wild, maar Pettibon spreekt tegenwoordig vooral snerend over de punkers die meer van hem namen dan teruggaven. Vanaf zijn twintigste gaf hij zijn eigen fanzines uit – opnieuw geen positief verhaal, want de blaadjes verkochten voor geen meter. De eerste fanzine – Captive in Chains uit 1978 – is nu een collector’s item en ligt met 58 losse bladen als steriele kunst te pronken in vitrines.

Gaandeweg blijkt hoe groot de levensbron is waar Pettibon uit put. Zijn wereld omvat monsters, rednecks, donkenlappen, Batman, Superman, het poppetje Vavoom, stokoude hippies, seriemoordenaars, politieke leiders om op af te geven (Nixon, Kennedy, Reagan), de hele ineenstortende tegencultuur van linkse wannabes die peace, love and happiness nastreefden, maar ondertussen toch vooral op hun eigen egoïstische genot uitwaren. ‘It is easier to change ideologies than haircuts’, luidt één van de haarscherpe teksten bij een tekening.

Taal

Raymond Pettibon, No Title (To a tune), 1991. Foto Robert Berman Gallery

Pettibon is een tekstueel kunstenaar. Hij is een grootgebruiker wat literatuur betreft, en daarom is ieder werk van hem zowel beeld als woord. Die woorden (een hele brei) leggen niet alleen brutaal Amerika’s neuroses en trauma’s vast, maar stijgen ook uit boven alle regels van taal. Poëtische zinnen, zelfbedachte woorden tuimelen over elkaar heen. De letters Y zijn op onmogelijke plaatsen gepropt, waardoor woorden vervormd raken alsof ze van kauwgom zijn. Er verschijnen kalligrafische A’s en rare aforismen die even goed het omgekeerde kunnen betekenen. Henry James, Marcel Proust en John Ruskin zijn inspiratiebronnen, maar vooral opstapjes om mentaal los te gaan op papier. Iedere tekening is een achtbaan van figuratieve elementen met ongelooflijk veel diepte, ingebed in woorden die over vergankelijkheid gaan en toch vol compassie en humor zitten. Dat maakt zijn werk, ondanks de harde uitstraling, melancholiek.

Op een tekening uit 1982 staat een vrolijke stoner met een bloemetjes-shirt aan, die zegt: ‘Why should I shave when I don’t even know if I’m alive?’ Een tekening uit 1983 toont een vrouw die zich heeft opgeknoopt. Op haar rechterbil draagt ze een peace-teken en een tatoo met ‘love’. No title (took LSD for the first time) heet het werk. Een bescheiden tekening van een klein kinderfietsje zonder rijder is wat mij betreft het hoogtepunt van de tentoonstelling. ‘Who will finish this odyssey?’ staat er onder de wieltjes geschreven. Er is maar één antwoord mogelijk: niemand eindigt deze odyssee, ook Pettibon niet.