Recensie

Al die seks, maar waar blijft de kaas?

Casanova Na Al Capone, Marco Polo en anderen heeft de Amerikaanse historicus Laurence Bergreen zich nu op Casanova geworpen. Grote vraag is: wat voegt hij toe aan diens eigen zesduizend pagina’s herinneringen?

Laurence Bergreen is een Amerikaanse historicus die zich heeft toegelegd op de biografie. Hij beschreef de levens van Al Capone (1993), Louis Armstrong (1997) en van ontdekkingsreizigers als Magelhãen (2003), Marco Polo (2007) en Columbus (2011). Bekroond, verfilmd, Bergreen is de minste niet. In 2016 kwam zijn Casanova: The World of a Seductive Genius uit, en het is nu in vertaling verschenen.

Een ‘ontdekker’ mag je ook Giacomo Casanova (1725-1798) wel noemen, en in die zin past hij in Bergreens biografische rijtje. Verschil is er ook: Casanova heeft hoogstpersoonlijk een zesduizend pagina’s strekkende autobiografie geschreven. Zoiets scheelt een hoop werk: ‘Giacomo, bedankt!’ Daarbij is Casanova’s Histoire de ma vie ook nog eens eerlijk en zelfkritisch, geestig, spannend, bijzonder pikant (de ongecensureerde editie is pas ruim een eeuw na zijn dood verschenen). Spreekwoordelijk type. We hebben van Casanova in ons taalgebruik niet voor niets ‘een casanova’ bewaard. Dat komt ons op rode oortjes te staan bij deze biografie: kosmopolitische ontdekkingsreizen, voorbij de Maagdenburger halve bollen op weg naar zuidelijker centra.

Onbarmhartig zelfbeschouwer

De kortste samenvatting van Casanova’s beweeglijke leven is deze: hij reisde van Venetië naar Venetië, om daar nooit nog wezenlijk aan te komen. Na ernstige problemen met de overheid in zijn losbandige geboortestad ondernam hij een langjarige, hoogst internationale queeste naar liefde en zelfrealisatie (doorgaans met hulpvaardigheid en spirituele conversatie beginnend, en in ejaculatie voleindigd). Van Constantinopel tot Amsterdam, van Moskou tot Madrid. Om ten slotte moe en impotent als bibliothecaris en onbarmhartig zelfbeschouwer te eindigen in het Tsjechische Duchcov.

Met spijt? Daarvan is geen sprake. De Nederlands vertaler van zijn memoires, Theo Kars, berekende dat hij 165 minnaressen (en enkele minnaars) had bekend. Dat mag je wel een respectabele score noemen. Daarnaast never a dull moment in Casanova’s leven, ook zoiets doet tevreden terugkijken.

Een spectaculaire ontsnapping uit een hermetische Piombi-gevangenis aan het Venetiaanse San Marcoplein, gokverslaving, beurstransacties in Nederland, ervaringen als militair, vioolspeler, geestelijke, geheim agent, occultist, wiskundige, gokker en waterbouwkundige, duels, de staatsloterij die hij bedacht en organiseerde en die Frankrijk redde van een faillissement, omgang met de groten van zijn tijd, tot en met Catharina de Grote (‘grote wijsheid’), Paus Clemens XIII, Voltaire (‘gebrek aan oordeel en precisie, lacht om zijn eigen grappen’), Rousseau (‘groot man, geen humor’), en Benjamin Franklin. Librettist Lorenzo da Ponte maakte dankbaar gebruik van Casanova’s opmerkingen bij diens werk voor Mozarts Don Giovanni. Het is veel, maar de autobiograaf deed er dan ook vele duizenden bladzijden over en was nog niet eens klaar toen hij stierf.

Van zijn uiterlijk moest Casanova het niet hebben. Hij was (dixit Bergreen) ‘minstens één meter negentig, had een hoog voorhoofd en grote neus, waardoor hij volgens sommigen leek op een grote gans’. Zijn afkomst (zoon van een acteurskoppel) bood evenmin een vliegende start. Zijn geest moet weelderig en zijn verstand bovenmatig scherp zijn geweest, hij schrok zelden voor iets terug en improviseren (wat vaak nodig was) kon hij als de beste.

Gouden stof voor een biografie, en dan nog eens die zesduizend pagina’s herinneringen, prachtig. Maar precies daarin zit hem het probleem bij deze biografie van Bergreen (1950). Je vraagt je gaande de krap zeshonderd pagina’s af wat hij nu eigenlijk méér geeft dan een samenvatting van Casanova’s Histoire de ma vie. En dan: is het een goede samenvatting?

De veelkleurigheid van Casanova’s bestaan zien we er in terug, maar Bergreens nadruk ligt wel heel erg sterk op de geschiedenissen met vrouwen en meisjes. Dat mag de lezer aanvankelijk als smeuïg ervaren, na nummer zoveel begint de sleet erop te komen. In die zin zweeft de biograaf te weinig boven Casanova’s leven, en te veel boven alle beddekoetsen.

Wonderlijk in dit verband is ook Bergreens uitblijvende explicatie van Casanova’s syfilis (gebruik van het Britse schapencondoom werd geregeld verzuimd). Met Casanova verklaart de biograaf onze patiënt ongeveer zes keer genezen, terwijl deze soa toen geen geneesmiddel kende: ‘Ik genas mijzelf ervan door zes weken dieet te houden’. Jazeker. Kende de belezen Casanova niet Jean Astrucs beroemde De Morbus Veneris (1736), of Morgagni’s syfilis en gonorroe onderscheidende De Sedibus et Causis Morborum per Anatomen Indagatis (1761)?

Op zeker moment is Casanova doende een in spiritisme verdwaalde, rijke Franse douairière te misleiden en roept hij ‘de koning der salamanders’ aan. Bergreen legt uit: ‘Salamanders spelen een belangrijke rol in het occulte’. Welke dan? Essayist Arnold Heumakers verklaarde zijn eigen aangetrokkenheid tot de Casanova-memoires eens via zijn maag. Al die beschreven maaltijden: ‘Je krijgt er geweldige honger van.’ In Bergreens versie van Casanova’s dagritme is etenstijd verre van opvallend.

Een wezenlijker kwestie speelt als we lezen over een stofuitwisseling met een in claustro-non. Bergreen: ‘Casanova beweerde dat hij haar wist over te halen hem tussen het traliewerk door te pijpen.’ Deze scène verbleekt bij Casanova’s elders verhaalde seks met zijn eigen dochter en zo zijn er meer sterk-sterker-sterkst-staaltjes van intermenselijkheid dan die ene traliescène.

Een kritische beschouwing over het Baron von Münchhausen-quotiënt van Histoire de ma vie was op zijn plaats geweest in een biografie die zo leunt op Casanova’s auto-geschriften. Dat een wetenschappelijk casanovist recent beweerde dat dit M-quotiënt de nul nadert, verandert daar niets aan. We hebben enige ondersteuning nodig om alle verrichtingen van de schier bovenmenselijke Casanova te geloven.

Ten slotte is er nog de naast de giga autobio-prestatie de literaire, historische en wiskundige tekstproductie van Casanova. Die komt wel voorbij in Bergreens biografie, maar blijft toch onderbelicht. Vooral over één ding had ik graag meer gelezen. Casanova vertelt ergens dat hij werkt aan een kaaswoordenboek. Al dat geneuk, Bergreen, maar waar bleef de kaas?