Achttiende-eeuwse kennis der natuur in een pronkkabinet

Geschiedenis

Poeders, drankjes, kruiden, gesteenten. Vernuftig opgeborgen in duizenden vakjes en laatjes. Het wondermeubel dat het Rijksmuseum nu tentoonstelt was ooit van een Engelse apotheker.

De imposante achttiende-eeuwse kast in het Rijksmuseum in Amsterdam lijkt de bezoeker met wijd open armen te verwelkomen. „We hebben de bovenste deurtjes expres zo ver opengezet”, zegt Paul van Duin, hoofd restauratie-atelier meubelen, als we er voor staan. Binnenin is een miniatuurapotheek te zien, met precies zo’n inventaris als in de achttiende eeuw in een stedelijke apotheek stond opgesteld. Maar hier zijn de voorraadflessen, Delftsblauwe bewaarpotten, lades en kistjes niet groter dan een paar centimeter.

„De kast is duidelijk bedoeld om te imponeren”, zegt Van Duin, „De eigenaar kon belangstellenden telkens opnieuw verrassen door onderdelen weg te schuiven, waarna er allerlei verborgen laatjes tevoorschijn kwamen.”

Het hoogtepunt daarvan doet zich voor wanneer de nis in het midden van de kast uit zijn vakje gehaald wordt. Dan kan met behulp van contragewichten die onderin de kast zijn weggestopt de hele achterwand naar boven worden geschoven. Dan openbaart zich een tweede laag, met wel 55 met olijfhout gefineerde laatjes die allerlei naturalia bevatten. Ieder laatje heeft een vakindeling in een kunstig patroon, die het gevoel van verwondering nog groter maken.

Het Rijksmuseum heeft de kast in 1956 aangekocht in Engeland, en sindsdien is hij opgenomen in de vaste tentoonstelling. Maar eigenlijk had niemand nog goed gekeken wat er precies in de verzameling zat. „Toen het museum ging verbouwen, en alles tijdelijk verplaatst moest worden, realiseerden we ons ineens dat deze bijzondere kast meer aandacht verdiende”, zegt Van Duin. Er volgde een uitgebreid onderzoek en een grootschalige restauratie, die beschreven zijn in een imposant boek dat deze week verscheen.

Bij de aankoop van de kast dachten de deskundigen van het museum dat dit een simpliciakast was die toebehoorde aan het Collegium Medico-Pharmaceuticum in Delft. Een simplicia, is een verzameling enkelvoudige grondstoffen van geneesmiddelen die gebruikt werd voor het opleiden en examineren van studenten binnen het apothekersgilde.

Autoriteit op het gebied van de geschiedenis van de farmacie D. Wittop Koning en de directeur beeldhouwkunst en kunstnijverheid Th. Lunsingh Scheurleer publiceerden daar in 1960 over in het Bulletin van het Rijksmuseum. Maar dat blijkt niet te kloppen.

De verzameling naturalia achter de miniatuurapotheek is veel te uitgebreid voor dat doel. Ook zijn de laatjes te moeilijk bereikbaar en de hoeveelheden in de kleine vakjes te weinig voor onderwijsdoeleinden. Waarschijnlijk ging het hier om een privéverzameling van een zeer welgestelde apotheker of arts. En de kast kwam niet uit Delft maar uit Amsterdam, is nu de theorie.

Drie verschillende soorten Delftsblauwe potjes. Strooppot
met het opschrift ‘S MYRTIN’.
Kistje van olijfhout, met een ebbenhouten profiellijst
en verguld beslag met het opschrift ‘TURBITH’.
Glazen flesje met het opschrift ‘POTEST:PULEG’

Amsterdam had destijds de beste meubelmakers van het land; waarschijnlijk kon een kast met zo’n vernuftig mechaniek en fijne afwerking alleen hier gebouwd worden. Bovendien komt de inhoud van de miniatuurapotheek nauwkeurig overeen met het voorschrift van het plaatselijke apothekersgilde, de Amsterdamse farmacopee van 1723. En in Amsterdam woonden in die tijd ook veel verzamelaars van kunst en naturalia, die hun rariteitenkabinetten vulden met al het moois dat Nederlandse koopvaardijschepen vanuit de hele wereld meebrachten.

Hoe het meubel in Engeland verzeild is geraakt, is niet bekend. De vroegste vermelding van de kast stamt uit 1853, toen de Engelse apotheker Henry Owen Huskisson het meubel toonde aan de leden van de Royal Pharmaceutical Society, waarvan hij zelf ook lid was. Hij oogstte meteen veel belangstelling en lof voor zijn wondermeubel, dat toen al gezien werd als monument van het begin van de moderne farmacie.

In 1891 beschreef Huskisson zijn trotse bezit nog eens kort in het blad The Chemist and Druggist. Op veler verzoek leverde hij daarbij een paar weken later ook een aantal schetsen van de kast. Daarop is te zien dat er oorspronkelijk een piramidevormige punt op de kast heeft gestaan.

Huskisson heeft de verzameling niet alleen bewaard, maar er zeker ook zelf dingen aan toegevoegd. Daarvan getuigen enkele stukjes hout en stenen die gemerkt zijn met de initialen HO.

De naturaliaverzameling in de verborgen laden telt bijna tweeduizend vakjes. Bijna tweederde is gevuld met mineralia, met onder meer metalen, ertsen, edelstenen, grondsoorten en fossielen. Bij de indeling ervan zijn systematiek en esthetiek gecombineerd.

Laatjes met opschriften Flores en Semina. De hartvormige vakverdeling in het laatje met zaden verwijst naar de centrale plaats waar het zit, in het hart van het kabinet.
Vier verborgen laatjes in bovenaanzicht.

Het ziet er prachtig uit maar sommige stoffen zijn niet geheel onschuldig, bleek bij de moderne analyse. Enkele mineralen vormen zwavelzuur onder in vloed van vocht en dat had zich al door de bodem van betreffende laatjes gevreten. Bij meting met een Geigerteller werden er uraniumhoudende ertsen ontdekt, waaronder een stukje pekblende, dat sterk radio-actief is.

„Dat hebben we in een loden verpakking omwikkeld veilig in een kluis opgeborgen in het depot”, zegt Van Duin. „En we hebben er speciaal een vergunning voor moeten aanvragen, want die gevaarlijke stof mag je niet zomaar in bezit hebben.”

In de restauratiewerkplaats van het Rijksmuseum laat Van Duin nog meer ‘gevaarlijke’ laatjes zien: ze zijn in plastic verpakt met een doodshoofd erop of een asbestwaarschuwing. Ze bevatten giftige arseen-, kwik- of loodhoudende mineralen. De achttiende eeuwse verzamelaar zal zich van het risico niet bewust zijn geweest.

„Niet van alles hebben we de samenstelling kunnen achterhalen, vooral bij de kruiden en schorsen bleek dat lastig”, vertelt Van Duin. Soms bevatte één vakje wel vier verschillende soorten zaden, waarschijnlijk per ongeluk geknoeid uit buurvakjes. Van Duin: „Dat hebben we maar zo gelaten, er was geen beginnen aan om dat helemaal uit te zoeken.”

De oorspronkelijke verzamelaar is ondanks intensief archiefonderzoek en het bestuderen van aanwijzingen op en in de kast nog altijd anoniem. „Maar in ieder geval hebben we met deze studie de bovenste verborgen lade weer een beetje kunnen opvullen”, zegt Van Duin. Deze lade die als enige van binnen met stof bekleed is bevatte waarschijnlijk de oorspronkelijke catalogus van de inventaris. Helaas ontbrak die al toen Huskisson de kast voor het eerst beschreef.

Op deze bijzondere lade staat ook een Latijnse spreuk met een verborgen chronogram dat het bouwjaar van de kast aanduidt: „in LaVDeM receptaCVLi tam simpliciVm qVam compostoriVm medicaminVm”, De optelsom van de Romeinse cijfers (L+V+D+M+C+V+L+V+V+V+V) is 1730.

De verzameling was „puur bestemd voor privé-genoegens”, concludeert historicus Roelof van Gelder in het boek over het museumstuk. Zo’n collectie was een statussymbool. Van Gelder citeert de Amsterdamse apotheker Goadartus Cronenberg (1670-1721), die uit liefhebberij zowel een verzameling naturalia als een munt- en penningkabinet had. „Dus kan men in ’t kleen vertrek den ruimen aardkloot zien.”