Column

Vluchtelingen hou je tegen met onderwijs

In zeven jaar tijd is het onderwijsbudget dat rijke landen ter beschikking stellen aan derdewereldlanden gestagneerd, schrijft de VN-organisatie Unesco deze maand in een rapport. De gevolgen daarvan zijn ernstig. De oplossingen die educatie kan bieden, zijn groot. Zo’n 264 miljoen kinderen en jongeren gingen in 2015 niet naar school. Het aantal kinderen dat wel naar school gaat is maar heel licht gestegen sinds 2012. Het geld dat donorlanden beschikbaar stellen aan educatie in derdewereldlanden neemt al zeven jaar niet toe maar daalde met 4 procent.

Dat betekent concreet dat de doelen die de Verenigde Naties op het gebied van onderwijs had gesteld tot 2030, niet gehaald kunnen worden. Een van die doelen was dat ieder kind op de wereld in elk geval toegang heeft tot het basisonderwijs. Volgens een schatting van Unesco kan dat in dit tempo pas twaalf jaar later, in 2042.

Van de 61 miljoen kinderen wereldwijd die niet naar de basisschool kunnen, zal zo’n derde ook nooit een voet in een schoolgebouw zetten als er niet meer geld bij komt.

Omgerekend is dat een op de drie kinderen in Afrika ten zuiden van de Sahara, West-Azië en Noord-Afrika, en een op de vier kinderen in Centraal- en Zuid-Azië. Dit is dan nog gebaseerd op de cijfers waarover Unesco beschikking heeft; landen als Congo en Nigeria geven geen data vrij.

Vooral in de sub-Sahara is het gebrek aan educatie groot. Eenvijfde van de kinderen tussen de zes en elf jaar gaat niet naar school. Dat geldt ook voor eenderde van de jongeren tussen twaalf en veertien jaar en zelfs voor de helft van de kinderen tussen de vijftien en zeventien jaar.

Dat zijn duizelingwekkend hoge aantallen. Er groeit een generatie op die voor een groot deel geen onderwijs geniet. Het schrijnende en zorgwekkende is dat elk perspectief daarmee ook verdwijnt. Wie zelf niet heeft leren rekenen en schrijven, kan dat ook niet aan een ander leren.

Unesco schat dat de wereldwijde armoede meer dan gehalveerd kan worden als iedereen de middelbare school afrondt. Dat doel lijkt steeds minder haalbaar, nu rijke landen de portemonnee dichthouden.

Het is niet zo dat regeringen in de landen waar het om draait, zelf niet investeren in onderwijs. Sinds 2000 verhogen ze de budgetten juist. Maar zelfs als ze dat blijven doen, verwacht Unesco een jaarlijks tekort van 39 miljard dollar (35 miljard euro). Om dat te verhelpen zal de steun van buitenaf, van rijkere landen, zes keer hoger moeten liggen dan voorgaande jaren. Maar donoren blijven een lagere prioriteit geven aan onderwijs.

Unesco constateert dat donorlanden het geld dat bedoeld is voor ontwikkelingshulp binnen de eigen grenzen uitgeven aan vluchtelingen. Een aantal Europese landen gebruikt daar eenvijfde van het budget voor. De VN-organisatie waarschuwt ook dat voor sommige landen de eigen handelsbelangen een grotere rol spelen bij het bepalen waar hulpgeld heen gaat, in plaats van dat er wordt gekeken naar waar de behoefte het grootst is.

Ik vraag me af hoe we later terugkijken op zulke rapporten, als deze grotendeels verloren generatie is opgegroeid en uit wanhoop op een betere toekomst de tocht naar Europa probeert te maken.

Er zijn zaken waar landen die vluchtelingen opnemen weinig tot geen invloed op hebben; denk aan oorlog. Bij educatie ligt dat anders. Wie investeert in onderwijs, helpt niet alleen derdewereldlanden zich te ontwikkelen. Het is op de lange termijn ook een investering in de eigen toekomst.

Lamyae Aharouay werkt als redacteur bij BNR.