Vluchtelingen selecteren aan het front in Zagreb

Balkan Door een lasser uit Rotterdam komt in 1992 de opvang van oorlogsvluchtelingen uit Bosnië en Kroatië op gang. „We waren er werkelijk op uit om daar het goede te doen.”

Bosnische vluchtelingen, begin jaren negentig. Foto Reuters

Het luchtalarm loeit als de witte UNHCR-trucks stoppen in Slavonski Brod. Uit de trucks springen Nederlandse ambtenaren, vertegenwoordigers van de ministeries van Buitenlandse Zaken, Justitie en Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC). Ze kijken verwilderd: wat is dit? De delegatie zet het op een lopen, gevolgd door de Nederlandse journalisten die in hun kielzog meereizen.

Schuilend voor het mortiervuur in de kelder van het dichtstbijzijnde huis zegt Eddy Engelsman, WVC-directeur Vluchtelingen, Minderheden en Asielzoekers:

„We dachten dat we in het rustige deel terecht zouden komen. Maar dat is het dus niet.”

Ze schuilen tot het sein veilig wordt gegeven. Daarna bezoeken ze het ziekenhuis. Ook daar: paniek, luchtalarmen, inslagen overal. M.A.S.H.-achtige toestanden, zegt een journaalverslaggever. Hij overdrijft niet. Delegatieleider Hilbrand Nawijn, directeur Vreemdelingenzaken van Justitie, oogt bedrukt: „Het is hier echt een oorlogssituatie.”

Laatste Kroatische enclave

Op die zomerdag eind augustus 1992 belanden de ambtenaren midden in de oorlog. Slavonski Brod is de laatste Kroatische enclave in een verder door Serviërs beheerst gebied, en de Kroaten leveren heftige strijd om dat zo te houden. De Nederlanders zijn op een unieke missie: nooit eerder begaven ambtenaren zich in een oorlog, om aan de frontlinie te bepalen wie wel en wie niet voor opvang in Nederland in aanmerking komen. Ze gaan vijfduizend vluchtelingen selecteren, die de Nederlandse hulp het hardst nodig hebben: vrouwen, kinderen, bejaarden.

Voor Jan Rietveld, destijds coördinator Hervestiging voor het ministerie van Justitie en ook meegereisd, was een dergelijke selectie gesneden koek. Naast de ‘gewone’ instroom asielzoekers, die het jaar ervoor rond de 30.000 lag, nodigde de overheid jaarlijks vijfhonderd vluchtelingen uit om in Nederland een nieuw bestaan op te bouwen. Dat gaan ze hier ook doen, maar dan in veel groteren getale.

“De aantallen ontheemden in deze oorlog waren ongekend hoog. Nederland had er de wetten wel voor, maar zoveel tegelijk hadden we nog nooit eerder gehad. Het overdonderde ons, eerlijk gezegd.”

‘Men kon de situatie niet aan’

Het vluchtelingenbureau in Zagreb onthaalt de delegatie op haar eerste dag in Kroatië met grote opluchting. „De toestand was overspannen”, herinnert Nawijn zich. „Men kon de situatie niet aan. Ze dachten dat we die vijfduizend vluchtelingen direct mee wilden nemen.” Zo eenvoudig lag het niet, weet Nawijn. „Warrig, dat is het woord dat in me opkomt. Het was moeilijk om uit te zoeken wie wie was.” Bovendien is het ook de opdracht om te kijken naar mogelijkheden voor opvang in de regio.

Eddy Engelsman herinnert zich dat dat ook de wens was van Adalbert Rebic, de plaatselijke directeur van het vluchtelingenbureau. „Omdat ik ontevreden was met hoe het eerste gesprek met Rebic verlopen was, ben ik de dag erna alleen met mijn tolk teruggegaan. Ik vroeg hem: wat zou u het liefste zien dat de Nederlandse regering doet om uw vluchtelingenprobleem te helpen oplossen? Let wel, het ging toen al om ongeveer 640.000 mensen op een bevolking van 4,5 miljoen. Hij liep naar de schouw in zijn kantoor, pakte een dikke stapel rekeningen, voor voedsel, medische zorg en kleding, en zei: Als uw regering wat wil doen, trek er maar een rekening uit en laat de mensen hier.”

Dat blijkt een eenzaam standpunt.

Als uw regering wat wil doen, trek er maar een rekening uit en laat de mensen hier.

„De politiek was zeer begaan met deze kwetsbare vluchtelingen en de regering wilde ze coûte que coûte opvangen”, zegt Engelsman. “Ik voelde het als mijn plicht ook andere mogelijkheden voor opvang in de regio te onderzoeken. Zo deed zich een tweede mogelijkheid voor bij een sporthal vol vluchtelingen in Karlovac. Daar zeiden twee EU-waarnemers, met enige verontwaardiging, dat elders wel degelijk een goed opvangkamp beschikbaar was, maar dat de mensen daar niet heen wilden, omdat Huremovic hen beloofd had dat ze naar Nederland konden.”

Engelsman vervolgt:

“Toen ik delegatieleider Nawijn daarop aansprak, wilde hij ook daar niet over horen. Het thuisfront overigens ook niet. Zo ging er weer een mogelijkheid tot opvang in de regio in rook op.”

Feiten checken

De delegatie, onder wie WVC-voorlichter Ahmed Aboutaleb, gebruikt rapporten van de UNHCR voor de selectie en probeert zo goed en kwaad als het kan de basale feiten van de vluchtverhalen te checken. De roedel kranten-, radio- en tv-journalisten, die in haar kielzog meereist, legt alles vast. En dan is daar ook nog Hasan Huremovic, die de ambtenaren bestookt met namen en informatie. „Waar de echte vluchtelingen zaten, wilden ze weten. Ga maar eens kijken in Dakovo, heb ik ze gezegd.”

Vlakbij Dakovo ligt Gašinci, het werkterrein van nog twee andere Nederlanders met een missie. In juli en augustus verblijven documentairemakers Carlo Delbosq en Jandries Groenendijk wekenlang in dit grote tentenkamp. Die zomer zoeken daar zo’n 4.500 Bosnische moslims en Kroaten uit de omliggende dorpen en steden hun toevlucht, en er komen dagelijks tientallen tot honderden vluchtelingen bij.

Als Delbosq zijn collega’s in het tentenkamp begroet, laat deze de ploeg meteen weten wat hij van de situatie in Gašinci denkt. Wat een toevluchtsoord had moeten zijn, is in werkelijkheid een gevangenkamp. „Zeg maar gerust een concentratiekamp”, stelt Groenendijk. „Want niemand kon eruit.” Het kamp fungeert voor de Kroatische strijdkrachten als een melkkoe, die telkens weer tot op de laatste gezonde man uitgemolken wordt.

„Vooral de moslims behandelden ze als stront. Het waren derderangsburgers.”

In Over ons heen vielen hete aarde en scherven, het resultaat van hun weken in het kamp, zijn alleen vrouwen, kinderen en bejaarden te zien. „Toch laten die beelden de gerestylde versie van het kamp zien”, legt Delbosq uit. „We hebben materiaal geschoten vóór de delegatie arriveerde. Mensonterend. Bejaarden lagen in een ‘ziekenhuis’, waar ze geen zorg en geen hulp kregen. De wc was een trap naar beneden. De meesten konden die niet bereiken, dus wentelden ze in hun eigen stront. Voor het hoge bezoek kwam, spoten ze de ruimte zorgvuldig schoon. Zo werden wel meer oneffenheden weggepoetst.”

Eenmaal thuis doen Delbosq en Groenendijk er alles aan om het onopgesmukte plaatje bij de verantwoordelijke politici onder de aandacht te brengen. Dat lukt. „Een van de betrokken ambtenaren van Buitenlandse Zaken nodigde ons bij hem thuis uit om de ruwe beelden uit Gašinci te laten zien”, zegt Delbosq. „Ik ben ervan overtuigd dat dat er mede voor gezorgd heeft dat ze de vluchtelingen naar Nederland wilden halen.”

Bejaarden lagen in een ‘ziekenhuis’, waar ze geen zorg en geen hulp kregen. De wc was een trap naar beneden. De meesten konden die niet bereiken, dus wentelden ze in hun eigen stront.

‘Run’ op plekken in Nederland

De ambtenaren raken in Gašinci diep onder de indruk van de pure, ongefilterde wanhoop van mensen, die niets en soms ook niemand meer hebben. De delegatie besluit dat in ieder geval een deel van deze mensen mee naar Nederland gaat. Dat wordt op een avond omgeroepen in het kamp, weet Carlo Delbosq uit eerste hand. „Wie mee naar Nederland wil, galmde er door de speakers, moet NU naar de intakepost komen! Er ontstond een run.”

Op 2 september 1992 vertrekt een trein van het Rode Kruis uit Zagreb, met daarin de eerste vijfhonderd ‘ontheemden’, zoals ze dan heten, onder andere uit Gašinci. „Eén miljoen gulden kostte die eerste trein”, herinnert Jan Rietveld van Justitie zich. „Na een tweede trein zijn we overgestapt op bussen, dat was een stuk goedkoper. De avond voor vertrek dienen de ontheemden zich te melden. Niet iedereen haalt het treinstation. „We hadden nog plek voor dertig vluchtelingen, dus ik belde met Nawijn”, vertelt Rietveld. „Het Kroatisch bureau zou de lege plekken opvullen.”

Vlak voor vertrek constateren de meegereisde journalisten met verbazing dat er Kroatische militairen aan boord zijn. Weliswaar gewond, maar toch: wat hebben die te zoeken in deze trein vol kwetsbaren? Als een journalist Rietveld ernaar vraagt, reageert hij: „Nee, dat vind ik niet raar. Deze soldaten zijn ook kwetsbare vluchtelingen. En ja, ik was ervan op de hoogte.” 25 jaar later zegt hij: „Ik had geen idee dat er militairen aan boord waren. Maar ik heb er persoonlijk voor gezorgd dat ze na de nodige medische zorg in Nederland meteen weer terug naar Kroatië zijn gebracht.”

‘Trein vol leed’

Als de trein even na elf uur in de ochtend op 3 september Utrecht Centraal binnenrolt, staat Hedy d’Ancona, PvdA-minister van WVC en verantwoordelijk voor de opvang van vluchtelingen, de ‘trein vol leed’ op te wachten. „We moeten deze mensen zo hartelijk mogelijk ontvangen”, zegt ze. Na de tweede trein is de opvangcapaciteit vol, denkt men dan. Tot 1993 zouden desondanks nog vele transporten volgen, tot de groep gevluchte Bosniërs en Kroaten aanzwelt tot ruim 56.000 aan het einde van dat jaar.

„We waren er werkelijk op uit om daar het goede te doen”, blikt Justitie-ambtenaar Jan Rietveld terug. „We wilden mensen uit die situatie halen, en dat is ook gebeurd.” Daarbij was de heersende opvatting in Nederland anders, stelt Nawijn: „In tegenstelling tot nu stond Nederland niet vijandig tegenover de opvang van zoveel vluchtelingen. Men zag het als onze plicht. Over de financiering was geen enkele discussie: het Rijk betaalde.” Wel meer aan die periode was uniek, gaat hij verder: „Zoveel ontheemden uitnodigen, ruim drieduizend, had de regering nooit eerder gedaan. Nooit eerder ging een ambtenarendelegatie een week lang de oorlog in, gevolgd door zoveel journalisten die rechtstreeks verslag uitbrachten. Het was de boeiendste periode uit mijn carrière.”

Hoe kijkt de katalysator zelf, Hasan Huremovic, terug op wat hij gedaan heeft? „Sinds de oorlog in Syrië uitbrak, denk ik weer veel aan de burgeroorlog in Bosnië”, zegt hij. „Wat er nu in Syrië gebeurt, is een herhaling van Bosnië”, zegt hij. „Twee grootmachten tegen elkaar, waartussen de gewone mensen vermorzeld raken. Dat was toen zo, en dat is nu weer zo.” Zou hij nu weer doen wat hij toen deed? „Ja”, zegt hij stellig. “Het was het allemaal waard.”