Tips voor wat je als kind moet doen bij een aardbeving? Serieus?

Rampenkinderboek Een heftig, maar ook wel lollig boek leert kinderen wat ze moeten doen bij rampen. Zijn ze daarmee geholpen?

Illustraties Linde Faas

De titel is vrolijk – wel érg vrolijk, zou je kunnen zeggen. Spuitende slagaders en overstromende oceanen heet het nieuwe informatieve kinderboek van schrijfster Jesse Goossens. Illustrator Linde Faas maakte er tekeningen bij die al minstens zo vrolijk spetteren. Zij tekende een mannetje met fonteinen van bloed die uit zijn lichaam spuiten, een reeks brandende autootjes die over elkaar heen buitelen (ze zijn op elkaar gebotst omdat een mannetje een sliert eenden laat oversteken), een mannetje dat in een huis staat waar alles heen en weer schudt: de appels uit de fruitmand en de boeken uit de kasten.

Het onderwerp, en ook de ondertitel van het boek: wat je zelf kunt doen bij kleine en grote rampen. Deze tekeningen staan bij de hoofdstukjes ‘bloed’, ‘hartstilstand’ en ‘aardbeving’. Zo zijn er nog tientallen hoofdstukjes, uiteenlopend van verslikking tot beroerte tot tsunami.

Heftig, maar ook lollig. Wat Goossens doet is bij al die potentiële ongelukjes en rampen een aantal intrigerende feiten noemen, beginnend met een leuk weetje, of met het extreemste voorbeeld van de betreffende ramp. Het belangrijkste: ze sluit af met tips die kinderen in de meeste gevallen zelf kunnen uitvoeren om voorbereid te zijn op het onheil. Dus, bij bloed: ‘druk een opgevouwen stuk schone stof of verband hard tegen de wond en blijf drukken. Is er geen stof in de buurt? Gebruik dan gewoon je hand of laat het slachtoffer zelf de wond dichthouden.’

Aardbeving, gifaanval, sneeuwstorm

Maar het wordt wel bevreemdend, hoe verder je komt in het boek. Tips voor wat je moet doen als er een aardbeving plaatsvindt? Serieus? ‘Ben je in een bioscoop of theater? Blijf in je stoel zitten, buig voorover, sla je armen om je hoofd en blijf zitten tot het schudden voorbij is’ – dan ga je je toch afvragen wat hiervan precies de bedoeling is.

Zouden kinderen hier nou mee geholpen zijn? Met tips over wat je kunt doen tegen een gifaanval, een epidemie, een sneeuwstorm of een orkaan? Maak je zo niet het gevaar van een ramp even reëel als huis-tuin-en-keukenongelukjes? Wek je dan niet juist onterechte angst, door op dezelfde montere toon hulptips over rampsituaties te geven als voor wat te doen bij een insectenbeet op een zomerse dag? Is de gelijkschakeling van rampen met ongelukjes geen bangmakerij?

Die vragen leiden eigenlijk naar een fundamentelere vraag: wat vertellen we onze kinderen? Het kinderboek van Jesse Goossens wordt gaandeweg steeds meer een variant op de kinderboekenreeks van Francine Oomen die zelfredzaamheid en zelfhulp promootte, die tieners empowerde om hun lot in eigen hand te nemen: Hoe overleef ik… het vergaan van de wereld?

Van zulk optimisme is ook Spuitende slagaders en overstromende oceanen doordrongen, zoals wel blijkt uit Goossens’ opbeurende slotwoord: ‘Vergeet nooit: jij kunt in je eentje het verschil maken! (En samen wordt het nog leuker.)’

Niet bang maken

Het staat wel haaks op de beschermende rol die opvoeders graag spelen: kinderen moeten risico’s vermijden, niet onnodig gevaren opzoeken. En ook: kinderen niet bang maken voor waar ze niet bang voor hoeven zijn. Maar is die ouderlijke argwaan wel terecht? Begin dit jaar startte campagnebureau VeiligheidNL juist een campagne met de slogan ‘Met een beetje risico komen we er wel’. Want: van ‘risicovol spelen’ leren kinderen hoe de wereld in elkaar zit. Die ook gevaar kent.

Wat vindt de wetenschap? Als we het tegen kinderen over „leed en onrecht” hebben, moet het tegelijk over „hoop en mogelijkheden tot verbetering” gaan, vond de historisch pedagoge Lea Dasberg al in 1980 – ze verzette zich tegen het heersende adagium ‘grootbrengen door kleinhouden’. Maar sindsdien is haar volwassen benadering van kinderen opvoeden wel een stuk minder populair geworden. Vorige maand werd zij wel weer geciteerd door Micha de Winter, scheidend faculteitshoogleraar Maatschappelijke Opvoedingsvraagstukken aan de Universiteit Utrecht, die een afscheidsrede hield. Hij was het met Dasberg eens: „Wereldproblemen kan je niet voor kinderen verdoezelen, constateerde ze toen al. Grootbrengen door kleinhouden was onmogelijk en trouwens ook onwenselijk”, aldus De Winter. En een actueel vraagstuk. Want „wat doen wij tegenwoordig om kinderen en jongeren te helpen betekenis te geven aan alle ellende die vaak ongefilterd hun wereld binnenkomt?”

De Winter pleit voor een heropleving van optimisme en hoop in de opvoeding. „Misschien willen we tegenwoordig kinderen en jongeren te veel ‘pacificeren’, bijvoorbeeld met allerlei preventieve gedragsinterventies of met medicatie.” Pessimisme en het vermijden van problemen krijgen volgens hem te veel aandacht, het moet van hem eerlijker en opener. Hij zoekt een „handelingsgerichte, hoopgevende sociale pedagogiek”, waardoor kinderen „perspectief leren te ontdekken”. Iets doen, kortom: „Hoop creëer je niet als je kinderen het gevoel geeft dat dingen nu eenmaal gaan zoals ze gaan.”

Dit moet je doen

Het handelingsgerichte perspectief is juist een belangrijke factor in Spuitende slagaders en overstromende oceanen. Het overzichtelijke, kinderlijke perspectief dat spreekt uit de tips onder de ‘dit moet je doen’-kopjes zijn misschien onnozel (bij een overstroming: ‘Dek afvoerputjes af, zodat rioolwater niet omhoog kan komen’), maar er spreekt ook hoop en controle uit.

Goossens’ informatieve kinderboek moet misschien minder gezien worden als doe-het-zelfboek en méér als optimistisch opvoedboek. De kans dat een Nederlands kind daadwerkelijk in een orkaan terechtkomt, blijft tenslotte klein, maar de lezer weet nu wél wat hij moet doen. Of je het opvat als hoop geven of bangmakerij – het is maar of je er optimistisch of pessimistisch naar kijkt.