Column

Let op de mond van mme Cézanne

Joyce Roodnat

Paul Cézanne associeer ik met appels. Zacht schilderde hij ze, ze zijn van verf maar ik zie bolletjes van kleur en geur. De appels ontbreken op de grote Cézanne-tentoonstelling die vorige week open ging in Parijs, in Musée d’Orsay. Die heet Portraits de Cézanne en dat is wat we krijgen: zijn portretten. Bijna 200 stuks. Niet zacht, nooit zacht.

Het begint met een zelfportret, uit 1862. Cézanne is 23 en schildert zichzelf met rode ooghoeken, besprongen door duisternis. Een zelfhaatportret. In New Yorks privébezit, zelden te zien, en hier hangt het.

Maar het hoogtepunt zijn Cézannes portretten van zijn vrouw Hortense Fiquet (1850-1929). Het zijn er 29 en op het eerste gezicht lijken ze op elkaar – maar Cézanne bekijkt Hortense telkens anders. Zo op een rij herinneren haar portretten aan die beurse appeltjes. Geschilderd om te experimenteren met kleur en verf. Maar had Cézanne niet van appels gehouden, dan had hij wel iets anders geschilderd.

Paul Cézanne: Portret van madame Cézanne (1885). Musée d’Orsay/Staatliche Museen zu Berlin, Nationalgalerie.

Hortense werd pas na jaren madame Cézanne. En ook toen ze getrouwd waren, verliet Cézanne haar en hun zoontje regelmatig, deed hij of hij niet met haar was. Dat biografische gegeven had een enorm effect. De mannen van de kunstkritiek identificeerden zich met hem (met de man, niet met de schilder) en vonden Hortense maar niks. Ze noemden haar passief, onverschillig, stupide. Lelijk. Ze was „beschikbaar”, dat was alles, verder schilderde Cézanne haar, „alsof ze noch aandacht, noch verbeelding, noch verlangen” wekte. Hoe dat dan toch zulke goeie schilderijen konden worden, vergde een hoop getheoretiseer.

Hier, verpletterd door de complete reeks Hortenses, kan ik dat nog minder uitstaan. Alsof Cézanne zo’n malloot was dat hij iemand heel vaak schilderde, alleen maar omdat ze beschikbaar was. Hij werkte aan haar gezicht, haar strakke kapsel. Aan haar lichaam in de grote japonnen. Aan het licht dat bij haar aanklopt of het binnen mag. Haar blik slaat ze naar binnen, maar let op haar mond. Daar borrelt iets, daar bleef Cézanne bezig. 29 schilderijen? Dan was er meer dan „de vorm van haar hoofd”. Dan intrigeerde ze hem.

De buitenwacht reageert vaker onbehouwen op de vrouwen van bewonderde kunstenaars. Soms zijn ze Giulietta Masina (mevrouw Federico Fellini) en dan belanden ze als muze op een voetstuk. Maar zijn ze Marilyn Monroe (mevrouw Arthur Miller) of Yoko Ono (van John Lennon) of Mieke Vestdijk (van Simon) dan zijn ze het genie van hun echtgenoot niet waard en een belediging voor zijn fans.

Cézanne maakte 20 jaar lang portretten van Hortense. Laat hij de pest aan haar gehad hebben – best. Maar die portretten zijn een feit.