Recensie

Lang leve al wat vliegt

Alle vogelstukken uit zo’n veertig jaar van de hartstochtelijke vogelfan Koos van Zomeren staan nu in een monumentaal boek met ijle penseeltekeningen.

De bonte strandloper, een illustratie uit het boek. Erik van Ommeren

In 1977 noteerde Koos van Zomeren voor het geïllustreerde weekblad Nieuwe Revu het volgende onwaarschijnlijk mooie en visionaire zinnetje: ‘Waar halen we het recht vandaan om deze dieren het medegebruik van de aarde onmogelijk te maken?’ Zijn eerste vogelreportage ging over de huismus, die destijds de bijnaam ‘vliegende rat’ kreeg. Dit verhaal vormt de opening van Van Zomerens verzamelde vogelstukken, Alle vogels.

Zijn monumentale boekwerk omspant bijna veertig jaar schrijven over vogels, kijken naar vogels, grote bezorgdheid uiten en praten met wetenschappers en kenners. En voor alles betoont Van Zomeren zich op elke bladzijde een perfect stilist die met ragfijne zinsbouw en woordkeuze de vogelwereld zichtbaar maakt.

De verleiding om uit Alle vogels te citeren is groot, want er staan juwelen in van observatiekunst: ‘Zeevogels doen niet aan opsmuk. Ze gebruiken wit om zich te laten zien en zwart om zich te verbergen. [...] Soms echter worden ze zwarter dan de bedoeling is, vaak gaan ze dan dood.’ Dit komt uit een reportage over stookolieslachtoffers uit de late jaren tachtig.

In elke denkbaar genre heeft Van Zomeren (1944) over vogels geschreven, in de journalistiek, in roman- en dagboekvorm, poëzie en, in deze krant, als briljant vlammend opiniestuk over de teloorgang van de grutto. Het stuk over mussen telt alle ingrediënten die door de jaren het onvervreemdbare eigene vormen van zijn schrijven: deze stadsvogel verbinden met de grote mensengeschiedenis en zich tegelijk bekommeren om het lot van de mus, die steeds minder leefruimte heeft. Dan ontstaat hoogstaande literaire journalistiek, zoals in deze passage: ‘Mussen hebben zich opgeworpen als partner van de allesoverheersende diersoort, de mens, maar zij hebben zich niet met huid en haar aan hem overgeleverd. Ze hebben een gezonde dosis wantrouwen bewaard.’ Vooruit, nog een citaat, ditmaal over de houtsnip: ‘Ik ben op zoek naar de woorden die bij een houtsnip passen. Ze hoeven niet beter te zijn, ze hoeven hem niet te vervangen. Maar ze mogen ook niet minder zijn.’

Het gaat dus niet alleen over vogels, het gaat om het ultieme schrijversverlangen: de juiste woorden vinden voor vluchtige verschijningen die vogels vaak zijn. Maar Alle vogels is meer dan beschrijvingskunst. Van zijn eerste tot zijn laatste stuk combineert Van Zomeren verwondering over het vogelbestaan met een grote verontrusting over zijn lot. Dat maakt zijn stijl uniek, hij is de uitvinder van een nieuw genre.

Zo verleidt hij de lezer met sierlijke beschrijvingen van de grutto, de koning van het grasland, om onverwacht met de verschrikkelijke waarheid over deze weidevogel te komen: door wanhopig stemmend maaibeleid, dat boeren in staat stelt steeds vroeger te maaien, vallen elk voorjaar vele duizenden eieren en jongen ten prooi aan de messen. Aanvankelijk ziet Van Zomeren heil in reddingsacties, onder meer van de Vogelbescherming. Maar de ‘gruttomoord’ heeft zich al voltrokken, zoals hij met bitterheid constateert in NRC Handelsblad van 29 juni 2002: ‘Wat mij hindert bij de reddingsacties voor de grutto is dat ze de ondergang van deze vogels nog steeds ergens in de toekomst situeren. Maar de grutto verdwijnt niet morgen, niet vandaag, de grutto verdween gisteren.’

Het boek is verluchtigd met bijna Japans aandoende, ijle penseeltekeningen van Erik van Ommen. Recent zijn enkele vogelboeken verschenen die net zo rijk geïllustreerd zijn, zoals het prachtig vormgegeven Vogels op de cm2 (Uitgeverij Müller), waarin de schoonheid van vogels is gevangen in postzegels, en Roofvogels en uilen van Noordwest-Europa (Fontaine Uitgevers) van Paul Böhre, met verrassend natuurgetrouwe en originele afbeeldingen van Joris De Raedt. Bij de tekeningen van Van Ommen schrijft Van Zomeren een loflied waarin hij de trefzekerheid prijst waarmee hij in enkele lijnen een vogel uitbeeldt.

Van Ommens tekenkunst sluit aan bij Van Zomerens stijl: toegewijd maar nooit luidruchtig. Gaandeweg krijgt Alle vogels zelfs een beklemmende dimensie. De verwondering maakt geleidelijk plaats voor melancholie en tot slot voor verbittering. Schrijven over de natuur in Nederland grenst uiteindelijk aan wanhoop, is de strekking. Dat stemt somber, misschien té somber. Maar dat verhindert niet dat Alle vogels een groots en gezaghebbend boek is voor iedereen met belangstelling en zorg voor de natuur.