Cultuur

Interview

Interview

Foto Derek Li Wan Po

Ik heb veel hotelkamers verpest met inkt

Christoph Niemann

De Duitse illustrator Christoph Niemann is een wereldster. Een tekening bij een verhaal? Leuk hoor, maar het kan hoger, verder, méér. ‘Het interessantste probleem is: hoe creëer je een emotie?’

Op het omslag van The New Yorker van 5-12 juni, de fictie-special, staat een tekening van een jonge vrouw die in het donker in een tent een boek zit te lezen. Ze schijnt bij met de zaklantaarn-app op haar mobiel, waardoor wij haar silhouet zien, en het licht uit haar telefoon dat van de pagina’s weerkaatst. Maar we zien méér. Wij zien ook het bos, de paars-rood-blauwe planten rond de tent, waar de vrouw niet op let.

En we kunnen zelfs nóg meer zien. Bekijk de cover op internet of in de New Yorker-app en hij komt tot leven. Het is een 360 graden-tekening en wij, kijkers, zitten er middenin: draai je telefoon rond en je draait weg bij de tent, naar het bos. Je ziet een druipende brandslang in een boom, je ziet een schoen, een huisje, en je realiseert je: dit is waar die vrouw over leest. Wie zat er nou niet op te letten? Dit is waar het om gaat, een betoverd woud.

Het kostte Christoph Niemann drie jaar om de technologie te ontwikkelen voor zulke 360 graden-projecten. Er zit veel wiskunde in, legt hij uit. „In feite moet je op de binnenkant van een bol tekenen, althans, een kubus die je naar de zijkanten projecteert.” In zijn studio in Berlijn, in het stadsdeel Mitte, heeft hij krachtige computers staan die er hard aan rekenen. Er ligt een föhn naast, om inkt te drogen als hij op papier tekent.

U kende Christoph Niemann misschien niet, maar de Duitse illustrator is een wereldster – het is dat we niet gewend zijn in dat soort termen over illustratoren te denken. Hij tekent voor de grootste bladen en dit jaar verscheen een Netflix-documentaire over hem (deel één in de serie Abstract, the art of design). Voor het magazine van The New York Times maakte hij in februari een geaquarelleerd 360 graden-verslag van zijn bezoek aan de gedemilitariseerde zone tussen Noord- en Zuid-Korea. Zijn reis naar Spitsbergen en de Noordpool verscheen onlangs in prachtige tekeningen, foto’s en filmpjes online bij National Geographic. Ook kwam recent zijn boek Souvenir, met reisschetsen, uit.

En hij is altijd bezig met iets nieuws. In 2011 rende hij de marathon van New York, onderweg tekenend en twitterend. Op de Olympische Spelen in Londen, 2012, maakte hij met een programmeur van The New York Times online animatiespelletjes, zoals steen-schaar-papier spelen tegen basketballer LeBron James. Tegenwoordig maakt hij elke zondag een tekening waarin een gefotografeerd voorwerp een nieuwe functie krijgt: zo wordt een paar sokken een halve dinosaurus.

Werk van Christoph Niemann uit zijn boek Sunday Sketching (2016). Eén dag per week maakt hij alleen dingen waar niemand om gevraagd heeft.

Zijn werk bruist van dat soort gekte. Rond de eeuwwisseling, toen het internet er nog niet snel genoeg voor was, maakte hij al animaties. Bij zijn omslagen voor The New Yorker, nu bijna dertig, maakt hij steeds vaker een digitale versie waarin iets beweegt. Regendruppels die in de papieren versie vastzitten op een taxi-ruit rollen in de digitale variant naar beneden – 6 oktober 2014, de eerste New Yorker-cover in animated gif-format. Of neem het papieren omslag van 16 mei 2016, een vrouw die de metro haalt. Dat begint spectaculair in 3D te bewegen als je de app Uncovr erop richt: dan groeien er wolkenkrabbers uit je telefoon waar metrotreinen omheen rijden (de gratis app werd speciaal voor deze ene New Yorker-cover ontwikkeld). Van een omslag met een tennissende vrouw (5 september 2016) bestaat een 360 graden-filmpje, met verrassingen in de achtergrond die je mist als je toevallig de andere kant op kijkt (het werkt niet in alle browsers, maar wel in de YouTube-app op mobiel). Een tekening bij een verhaal? Leuk hoor, maar het kan altijd hoger, verder, méér.

New York is super, maar alles draait er om werk, focus, deadline, product

En dat terwijl de belangrijkste les die hij twintig jaar geleden al op de kunstacademie in Stuttgart leerde, was zich in te houden, vertelt hij. Inmiddels lijkt hij de verpersoonlijking van die tegenstelling: een bevlogen pratende man die toch een kalme indruk maakt. Geordend, intelligent, nerdy, óvervol ideeën.

Toen hij op de kunstacademie kwam, vertelt hij, wilde hij zo realistisch mogelijk werken. „Veel lawaai maken, laten zien hoe goed ik kon tekenen. Maar ik leerde daar dat je voor verschillende verhalen verschillende instrumenten nodig hebt. Ik heb er twee jaar op de kunstacademie over gedaan om te leren begrijpen dat een oude kapotte gitaar ook een valide instrument is. Ik tekende altijd met het hele orkest.” Razendsnel schetst hij een realistisch gezichtje. „Ik dacht dat als je dit kon, dat je het dan ook altijd moest doen. Maar soms is dit beter.” Hij tekent er een grappig stripachtig gezichtje naast. „Dit geeft een emotionele reactie.”

En dat is waar het om gaat, leerde hij van Heinz Edelmann, zijn leraar op de academie die de tekeningen maakte voor de Beatles-film Yellow Submarine. „Minstens een jaar heb ik gedacht: waar heeft die man het over? Geleidelijk besefte ik dat het interessantste probleem is: hoe creëer je een emotie? Niet: hoe zorg je ervoor dat mensen jou bewonderen? Natuurlijk, alle kunst wordt gemaakt omdat je bewonderd wilt worden, maar het gaat erom dat je de spotlight op het verhaal richt.”

Brazilië
Parijs
New York
Praag
Schetsen uit Niemanns boek Souvenir.

Baby, I love you

Kijk naar popmuziek, zegt hij. „Alle popmuziek zegt: baby, I love you. De enige reden om nog nieuwe popmuziek te maken is om dat op een nieuwe manier te vertellen. Met tekenen is het ook zo. Je hebt nieuwe manieren nodig om een verhaal te vertellen.”

In zijn boek Sunday Sketching (2016) beschrijft hij hoe belangrijk het voor hem is om een dag per week alleen maar dingen te maken waar niemand om gevraagd heeft. Twintig jaar geleden ging hij direct na de kunstacademie naar New York, waar hij als 26-jarige bij The New York Times en The New Yorker binnenkwam, en al snel succes had. In 2008 verhuisde hij terug naar Duitsland, naar Berlijn, vooral om meer te kunnen experimenteren. „Steden hebben verschillende gevoelstemperaturen”, zegt hij, „en Berlijn heeft zoveel onzin-achtige gekte. New York is superinspirerend, maar alles draait er om werk, focus, deadline, product. Ik heb niet de sterke persoonlijkheid die nodig is om daartussen te zeggen: oké, ik ga een beetje zitten aquarelleren.”

Want dat is wat hij nu veel doet, thuis en op reis: „Ik heb veel hotelkamers verpest met inkt.” Hij houdt van het gebrek aan controle dat waterverf geeft. Dat heeft hij moeten leren ja, knikt hij heftig. „Je kunt niets verbeteren en de inkt doet wat hij wil. Maar dat creëert een spanning, een emotie, die je met controle niet kunt bereiken. Soms moet je dingen weggooien – maar soms als er iets mislukt, denk je achteraf: nee, dit is in feite het beste aan de hele tekening.”

De tentoonstelling Christoph Niemann: That’s How is tot 29 oktober in het cartoonmuseum in Basel te zien.