Recensie

Het wispelturige, ontembare volk

In het Franse politieke denken zit nog altijd een hang naar omwenteling, blijkt uit de boeken van Alain Badiou en Jacques Rancière. Maar wie zich beroept op opstandigheid, vrijheidswil of een ‘alternatief’ tegenover wetenschap en rede, weet uiteindelijk niet wat hij in huis haalt.

De kreet ‘Wir sind das Volk’ ontbreekt opvallend in de bundel Wat is een volk?, waarin Franse denkers (en één Amerikaanse) zich afvragen wat ze aanmoeten met het populisme. Toch viel onder die slagzin in 1989 de muur tussen Oost- en West-Berlijn en veranderde daarmee het geopolitieke landschap ingrijpender dan ooit sinds de Tweede Wereldoorlog.

Bij die protestmanifestatie is het niet gebleven. Op het Tahrirplein in Caïro manifesteerde het volk zich met net zo’n krachtige vrijheidswil als veel eerder in Algerije en Vietnam tegen het Franse kolonialisme of de Amerikaanse interventie. Daar kwam een volk aan het woord dat in de staat officieel geen naam mocht hebben of niet bestond, zo schrijft filosoof Alain Badiou (1937) in zijn beknopte bijdrage aan de bundel. ‘Volk is een woord dat pas zijn volledige waarde krijgt in ofwel de vergankelijke vorm van de nationale bevrijdingsoorlog, ofwel de definitieve vorm van communistische politieken’. Op dat moment weet je je bij deze oud-linkse denker weer helemaal thuis.

Maar daarmee is deze bundel nog niet afgeschreven. Want de nauwelijks minder radicale filosoof Jacques Rancière (1940) sluit deze af met een herwaardering van het populisme, tegen het gangbare gebruik van het woord ‘populisme’ in. In het politieke taalgebruik dient dat alleen maar om een beeld van ‘het volk’ te scheppen dat zwelgt in consumentisme en domme eigenbaat, zo schrijft hij. En om dus een weldenkendheid te legitimeren die de politiek wil elimineren ten gunste van een vorm van beheer waarin macht, geld en de aanspraak op kennis bij voorbaat ongelijk verdeeld zijn.

Marktdenken

Rancière werkt die gedachte uit in een wat ouder boek waarvan de vertaling parallel verscheen aan Badiou’s Wat is een volk? In Haat tegen de democratie keert Rancière zich vooral tegen andere filosofen die hij zag zwenken van links naar rechts en daarmee – in zijn ogen – de democratie verraden: Finkielkraut, Bruckner, Houellebecq en anderen. ‘Ze hadden vertrouwen in de loop van de geschiedenis zolang die leidde tot de mondiale socialistische revolutie’, aldus Rancière. ‘Ze hebben er nog steeds vertrouwen in nu die leidt tot de mondiale triomf van de markt. Het is niet hun schuld dat de geschiedenis zich heeft vergist’.

In naam van de democratie keren deze denkers zich volgens Rancière nu tégen de democratie. Want meer dan een staatsvorm is deze een ‘handeling die het monopolie van oligarchische regeringen op het publieke leven en de almacht van de rijkdom over alle levens telkens opnieuw doorbreekt’. Democratie is geen toestand maar een kracht die elke toestand opnieuw in beweging brengt. In het woord ‘woedt een strijd’. Zoals Luuk van Middelaar ooit al schreef, blijft het Franse politieke denken geobsedeerd door de gedachte van de revolutie.

Er zit een kern van wijsheid in die hang naar omwenteling. Politiek is altijd meer dan de verplichte keuze voor het ene weldenkende alternatief – zonder alternatief. En onontkoombaarheid is het schild waarmee de zittende machten en overtuigingen zich altijd zullen afschermen. Zij hebben zich, aldus Rancière, meester gemaakt van de wetenschap, die hun gelijk altijd met een onweerlegbare rationaliteit zal weten te staven.

Rancière zal daarbij vooral gedacht hebben aan de economie, de bedrijfskunde en de sociologie die de mens louter als homo economicus willen zien. Democratie is in zijn ogen het ‘nee’ tegen de onwrikbare wetten die gedoceerd worden in de Schools of Management, die elk ander perspectief minachtend afdoen als de alternative facts van een even verouderd als verdoold idealisme.

Maar inmiddels hebben de populistische alternative facts een heel ander karakter gekregen. Waar de volksstem werkelijk de doorslag heeft gekregen, zoals in de Verenigde Staten van Donald Trump, staan zij nu plotseling in dienst van een regime dat Rancière allerminst als de vervulling van zijn democratische droom zal zien. Inmiddels is het de vrijwel eenstemmige (natuur)wetenschap die te hoop loopt tegen de doctrines die in Amerika nu van overheidswege de dienst uitmaken. Wat dat betekent, bleek onlangs uit Amerika’s opzeggen van de Parijse akkoorden. En hoewel de hele wereld daartegen protesteerde, vonden de meeste Trumps-stemmers dat nog altijd prachtig.

Onrechtvaardigheid

De volkswil kan nogal wispelturig zijn en de stem die de gevestigde staat ‘democratisch’ uitdaagt heeft dan ook niet per se gelijk, zo schrijft de Amerikaanse filosoof Judith Butler in Wat is een volk? We moeten wel ‘weten wie in opstand komen en waar’, zo merkt zij op. ‘Er bestaan immers allerlei soorten menigten waarmee ik me niet solidair voel. […] Het einddoel van politiek is niet simpelweg om samen in opstand te komen’.

Revolutie is, kortom, voor Butler geen oogmerk maar kan wel een middel zijn. Waartoe? Om te strijden tegen onrechtvaardigheid en ongelijkheden, tegen toenemende onzekerheid en autoritaire veiligheidscontrole die het democratische proces wil onderdrukken, zo licht ze toe. Dat is mooi gezegd – en helaas zo mooi dat ook de aanhangers van Marine Le Pen of Donald Trump zich daarin gemakkelijk zullen herkennen.

Wie hun ongelijk wil bewijzen, komt met het herdefiniëren van een paar termen niet ver. Badiou mag het goede ‘volk’ in het geweer brengen tegen het slechte, en Rancière de democratie zelf tegen de staat, de ontembaarheid van zowel het een als de ander maken de avonturen daarvan in hoge mate onvoorspelbaar. Wie zich beroept op opstandigheid, vrijheidswil of een ‘alternatief’ tegenover wetenschap en rede, weet uiteindelijk niet wat hij in huis haalt. En wat veel erger is: hij zal dat ook niet kunnen beheersen, want om de vernietiging van elke beheersingsmacht gaat het nu eenmaal in deze cultus van de opstand.

Antwoorden op de verlegenheid van links zullen we niet vinden in deze beide boeken, wel een duidelijke getuigenis van die verlegenheid zelf. Daarom zijn dit nuttige vertalingen, zo lang ze uitnodigen tot kritisch lezen. Overbodig is dat niet. Zowel Badiou als Rancière zijn in sommige studentenkringen geliefde auteurs en het neo-radicalisme waarin de jaren zestig en zeventig lijken te herleven is nog lang niet uitgewoed. Maar met een nostalgische herhaling van het verleden is links niet gediend. Juist daarom is het goed dat het van de doodlopende paden van dit verleden goed doordrongen blijft.