Recensie

Finale De Meesterwerken: het publiek wil emotie in de kunst

Zap

Bij het programma De Meesterwerken lopen de tranen van tv-criticus Hans Beerekamp over de wangen. Vaak van het lachen, soms uit droefheid.

Paul Witteman presenteert ‘De Meesterwerken’ (NTR).

Van zo’n programma als De Meesterwerken (NTR), waarin een panel van deskundigen reageert op de keuze van het publiek op internet voor het beste boek, kunstwerk, film en muziekstuk, valt een hoop te leren. Althans, ik hoorde veel verrassende oordelen.

Zo schijnen er volgens Herman Pleij en Jeroen Krabbé veel mensen door musea te lopen met microfoons (sic!) op hun hoofd. Dat is „walgelijk”, want zo kun je kunst nooit meer emotioneel ondergaan. Overigens bleek even later dat een audiotour (want dat werd bedoeld) van het Rijksmuseum door Krabbé was ingesproken.

Hij leerde ons ook dat twee van de vijf meest populaire filmtitels, Una Giornata Particolare en Jagten, „moeilijke films” zijn, en dat deed hem deugd. Ik herinner me dat we in 1978 de eerste film, van Ettore Scola, niet goed mochten vinden van Huub Bals, de directeur van het Rotterdamse filmfestival, omdat het te makkelijk was: „kakken zonder douwen” noemde hij dat, net als Amadeus. Ook dat was nonsens.

Muziek dan. Vijf ongelijksoortige muziekwerken waren genomineerd: twee thema-albums, van de Beatles en Pink Floyd, een concert van Jacques Brel, en de composities Canto Ostinato (Simeon ten Holt) en Bachs Mattheüs Passie. Bach won, tot grote vreugde van Witteman, en niet Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band, volgens muziekkenner Eric Corton „dat album dat je dit jaar veel hoort omdat het zoveel jaar bestaat.”

Bij de boeken won Mulisch’ De Ontdekking van de Hemel, in de categorie kunst Picasso’s Guernica, en als film Intouchables, net als de vier andere genomineerden een film over een slachtoffer dat boven zijn tegenslagen uitstijgt. De sentimentele draak Intouchables wint vaak, als je het aan het publiek vraagt, ook dit keer weer tot verdriet van de deskundigen.

Vorig jaar won Francis Ford Coppola’s The Godfather, waarvan Witteman bij Jinek zei dat mensen die er verstand van hadden het heel goed vonden, maar dat het toch een gangsterfilm bleef, zij het met een topacteur als Marlon Brando.

Waar moet ik beginnen met al deze onzin te ontrafelen en tegen te spreken? Misschien met het verschil uit te leggen tussen een canon en een internetverkiezing? Of misschien moet ik eerst een stapje verder terug zetten en vertellen over hoe bevrijdend ik het postmodernisme heb ervaren in de jaren 90, toen het debat over „hoge” en „lage” kunst voorgoed beslecht leek te zijn. Het maakt niet uit of je van gangsterfilms of van klassieke muziek houdt, van jazz, punk of ballet. Je kunt in elk genre een canon laten opstellen door mensen die er verstand van hebben, of door het volk laten kiezen wat ze mooi vinden en waar ze het meest bij moeten huilen. Het een is niet meer waard dan het ander, en in het ideale geval bevruchten de uitersten elkaar en groeien de mooiste bloemen op de mestvaalt.

Maar wat je niet moet doen is alles op een hoop gooien en het publiek altijd gelijk geven. En intussen stiekem blijven vinden dat er wel degelijk een standsverschil bestaat tussen Bach en de Beatles, als we onder elkaar zijn. Dan zijn we ineens helemaal terug bij af en heeft een echt chef d’oeuvre als dat van Coppola 45 jaar later alsnog de reputatie van Brando nodig om voor vol te worden aangezien.

Wat voel ik nou bij De Meesterwerken? Nou, de tranen lopen me over de wangen, vaak van het lachen, soms uit droefheid over het verdwijnen van een gedeeld hiërarchisch besef in de cultuur, van meesters als Pierre Janssen die ons als kijkers nog bij de hand durfden te nemen, omdat ze er net iets meer verstand van hadden.