Een slanke vogel legt een puntig ei

Eierkunde

Er bestaan vele theorieën over de vormverschillen van vogeleieren. Nu is er antwoord: het ligt aan het moederlichaam. Hoe minder stroomlijn, hoe ronder het ei.

Eieren van verschillende vogelsoorten Foto Getty Images

Ze zijn rond als een pingpongbal, ovaal als een American football, puntig als een kegel en alles ertussenin: vogeleieren. Waar dienen al die vormen voor? Nergens voor, stond donderdag in Science. De eivorm is het gevolg van hoe een moedervogel in elkaar zit. En dat hangt weer samen met hoe efficiënt ze vliegt. Hoe strakker en gestroomlijnder haar lijf, hoe minder rond haar eieren, concluderen de onderzoekers na analyse van bijna 50.000 eieren van 1.400 vogelsoorten.

Oölogie

Daarmee halen ze drie eeuwen aan oölogie, of eierkunde, onderuit. Want er zijn al talloze theorieën over het waarom van de eivorm, die mensen van oudsher mateloos fascineert. Niet voor niets danken we ons woord ‘ovaal’ aan het Latijnse woord voor ei: ovum.

De gangbare theorieën zijn divers. Bij iedere legselgrootte zou bijvoorbeeld een eivorm horen die optimaal is voor warmteuitwisseling en stabiliteit. Of de eivorm zou door de omgeving gestuurd zijn. De eieren van klifbroedende alken zijn puntig, zo leren we, zodat ze niet van hun richeltje afrollen. Maar waarom hebben drieteenmeeuwen, die op diezelfde kliffen broeden, dan géén puntige eieren? En waarom moeten de vier puntige kievitseieren samen per se een cirkeltje vormen? Kortom, de theorie wankelt. Tijd voor een grootse aanpak, dachten onderzoekers uit de VS, Singapore, Israël en Groot-Brittannië. Samen analyseerden ze een enorme berg eierdata, over eivorm, maar ook over de vogels en hun leefwijze.

Eieren: oehoe, gekraagde roodstaart, alk

(Foto’s iStock/wikipedia, eieren niet op dezelfde schaal)

Hand-vleugelindex

Hand-vleugelindex is de lijn WL min de lijn SL en dan gedeeld door WL. Oftewel: HVI=(WL-SL)/WL. Illustratie PRS

Daaruit rolde één significant verband. Hoe groter de hand-vleugelindex (HVI), hoe minder rond de eieren. De HVI is de verhouding tussen de lengte van de vogelhand (van vleugeltop tot pols) en die van de hele vleugel. Die maat zegt iets over hoe efficiënt een vogel vliegt. Een albatros heeft een hoge HVI (een relatief lange hand) en kan moeiteloos eindeloos zweven.

Een fuut heeft een lage HVI en moet woest flappen om in de lucht te blijven. En zie: het futen-ei is veel ronder dan dat van de albatros. Het gestroomlijnde lijf van de moederalbatros heeft het ei langer gemaakt tijdens de eileg, vermoeden de auteurs.

Rake analyse

„Wat een rake, complete analyse”, reageert de New Yorkse hoogleraar Mark Hauber, auteur van The Book of Eggs (2014). „De auteurs hebben maar liefst tien hypotheses doorgelicht. Een 360-graden-benadering van de evolutie en functie van eivorm. Ik ben wel blij dat ze ook uitzonderingen aanwijzen, zoals de alk en de kievit. Maar de rest staat als een huis. Ik ben aangenaam verrast door de link met de vliegbouw.”

Een fuut op zijn nest. Foto Flickr / Bengt Nyman

Kievitseieren, aldus het Science-artikel, zijn puntig ondanks de lage HVI van de flappende kievit. De eieren, zo merken de auteurs op, hebben een extra poreuze punt. Daardoor kan het kuiken beter ademen, sneller groeien en als goed ontwikkelde nestvlieder uit het ei komen. Wellicht staat juist die puntvorm die extra poriën toe. En zo zijn er meer uitzonderingen: de eieren van de alk zijn te puntig, die van de kolibrie te rond.

„Een indrukwekkende studie, maar ik ben nog niet helemaal overtuigd”, zegt Johan Haringsma, auteur van Eieren en hun vogels (2017). „Het lijkt me sterk dat die HVI de enige verklaring is. Vogelsoorten hebben vaak hun eigen ei-kenmerken. Die zijn, voor zover ik kan overzien, maar matig gelinkt aan de HVI. En het aantal uitzonderingen is enorm.” Volgens hem moet je de vorm niet los zien van de kleur en grootte van eieren. Die zijn samen geëvolueerd als product van een scala aan invloeden, waaronder het moederlijf maar wel degelijk ook de omgeving.

„Het is minstens even interessant waarom er zoveel uitzonderingen zijn”, zegt Haringsma. “Die hebben voor elke soort vaak een eigen aanwijsbare reden. Dat maakt eieren zo boeiend.”

Harvard-hoogleraar Lakshminarayanan Mahadevan, hoofdauteur van het Science-artikel, vindt het verband niet toevallig. “We combineren een wiskundige analyse van eivormvariatie met biofysische theorie over eivorming én de evolutionaire gevolgen hiervan. Dat heeft nog nooit iemand gedaan, en zeker niet zo grondig. Wij zijn zeker van onze conclusie. Zo zeker als onze data toestaan.”