Interview

De Fleet Foxes blijven ragfijn verleiden

In de ban van folk

De Fleet Foxes zijn na een pauze terug met een nieuw album en een optreden zaterdag op Down The Rabbit Hole. Robin Pecknold: „Mijn muziek mag meanderen.”

Robin Pecknold Foto Andreas Terlaak

Robin Pecknold heeft geen baard. Hij rookt een sigaret op het balkon van een hotel in Amsterdam, en lacht – goed zichtbaar boven zijn kin. „We waren uit elkaar gegroeid”, zegt hij. „Baard en ik.”

Weelderige gezichtsbegroeiing was jarenlang een vaste waarde in de beeldvorming rond zijn groep Fleet Foxes, die op meerdere manieren teruggreep op de sfeer en stijl van de jaren zeventig. Deze muzikanten waren zo toegewijd aan hun muziek dat voor ijdele beslommeringen geen tijd leek, zoals scheren en goed passende kleding kopen. Vandaar Pecknolds verschijning in steevast een te korte corduroy broek.

Robin Pecknold, inmiddels 31, zegt dat beide een psychologische achtergrond hadden, baard en broek. „Toen de band begon was ik in de ban van de muziek van het verleden, zoals folk, Beach Boys, Crosby, Stills & Nash. Maar ik was nog een tiener, ik was bang dat ik niet serieus genomen zou worden. Ik moest ouder lijken, vond ik. Vandaar de baard.”

Hij knikt naar zijn enkel, waar de grijze broek nu bijna overheen valt. „De lengte van m’n pijpen was een graadmeter voor mijn onzekerheid. Hoe onzekerder ik me voelde, hoe korter de broek.” Dan wuift hij het onderwerp weg. Het verband blijft onbesproken.

Pecknold was 20 toen hij met de Fleet Foxes grote indruk maakte. De groep begon in 2006 en maakte in 2008 het titelloze debuut. Het was hogere muzikale verleidingskunst die Pecknold, de voornaamste architect van de band, vatte in nummers als ‘Sun It Rises’ en ‘White Winter Hymnal’. Geïnspireerd door traditionele folk en zijn liefde voor groepen als The Byrds, creëerde hij ragfijne weefsels, met klassieke instrumenten zoals tamboerijn, akoestische gitaar, fiddle, aangevuld met elektrische twaalfsnarige gitaar en keyboards. De glooiende melodieën werden bekroond door ijzingwekkende samenzang van vier van de vijf muzikanten, die elkaar in een golvende cadans ondersteunden.

Fleet Foxes trok een ouder, vooral Europees publiek, dat destijds ook in de ban was van genregenoten Bon Iver en Low Anthem. De groep maakte in 2011 opvolger Helplessness Blues en daarna werd het stil.

IJle falset

Net zoals de jonge Pecknold graag oud wilde lijken, doet hij meer dingen andersom. Als tiener begon hij zo snel mogelijk een band. Opgegroeid in een muzikale familie – zus zangeres, vader gitaarbouwer – in Seattle, werkte hij na zijn middelbare school in een café waar muzikanten rondhingen. Pecknold ging niet studeren; de bar was zijn muzikale leerschool.

„Na Helplessness Blues wilde ik pauze nemen, want ik zag op tegen het creatieve proces van weer een album. Op mijn 26ste besloot ik alsnog naar college te gaan.” Hij verhuisde vanuit Seattle naar New York en ging studeren aan Columbia University, waar hij vakken koos als antropologie en kunstgeschiedenis. Een paar jaar was Pecknold geen internationaal gewaardeerde muzikant, maar een jongeman met een boekentas.

New York maakte hem eenzaam, zegt hij, maar op een positieve manier. „Ik woonde in een klein appartement waar ik ’s avonds alleen was. Dan studeerde ik of speelde gitaar. Niet om liedjes te maken, maar voor de lol.” De om zijn akoestische stijl bekend staande Pecknold doorliep in New York een ‘noise-fase’. „Ik luisterde naar Sonic Youth en verdiepte me in hun manier van gitaarspelen, met veel loeiende feedback. Heel anders dan ik zelf speel.” Vanuit die voor hem ongewone hoek, ontwikkelden zich ideeën voor wat uiteindelijk een nieuw album zou worden. Zonder loeiende feedback of andere vernieuwing, want anders dan Bon Iver (ging elektronica exploreren) en Low Anthem (nauwelijks meer actief), bleef Pecknold trouw aan zijn idioom.

Zo zijn er op het nieuwe album Crack-Up weer de uitgewerkte arrangementen en harmonieën, en is er de samenzang van vier mannenstemmen. De schoonheid van Crack-Up geeft zich niet direct prijs. De composities laten zich afpellen: eerst is er de verrassing om de haaks op elkaar staande snaar-, blaas- en percussieklanken. Vervolgens frappeert de stem van Pecknold, die transformeert van ijle falset tot angstaanjagend sonoor. Uiteindelijk openbaren zich de versnellingen en vertragingen. In ‘Cassius’ versnelt het tempo, in het titelnummer vertraagt Pecknold plotseling, waardoor het lijkt alsof hij zingt in slow motion.

Maandenlang schaven

Dan treft de emotionele lading alsnog doel, als de luisteraar, geschoold in deze muzikale versie van verlatenheid, de doorkijkjes opmerkt, de fijnzinnige vibraties van exotische instrumenten bespeurt en zich laat omspinnen door de subtiel versmeltende klanklijnen in stukken als ‘Fool’s Errand’ en ‘I Should See Memphis’.

„Ik wilde de composities verder uitwerken”, zegt Pecknold over de complexere nummers. „Ze mochten meanderen, en hoefden niet licht verteerbaar te zijn.” Hij pakt zijn iPhone en laat een ruwe versie horen van ‘Kept Woman’; een schorre stem, onbehouwen gitaarakkoorden. „Eerst maakte ik dit soort versies, in mijn eentje in mijn kamer. Daarna heb ik alles uitgewerkt en de partijen stuk voor stuk zelf ingespeeld. Daardoor ging het opnemen in de studio, met de rest van de band, uiteindelijk sneller.” Hij verwijst naar de opnamen van voorganger Helplessness Blues, toen Pecknold, steeds niet tevreden, maandenlang bleef schaven.

Hij vertelt over het geluid van een New Yorkse metro dat hij opnam met zijn telefoon en in een van de tracks verwerkte. Maar te oordelen naar het uiteindelijke resultaat bleef hij, ondanks de stadse referenties, op Crack-Up trouw aan zijn pastorale stijl. Robin Pecknold, 31 en klaar met studeren, heeft stevig grip op zijn muzikale koers. Zijn broekspijpen bewijzen het.

Het album Crack-Up is nu uit bij Warner Music. Optreden: 24/6 Down The Rabbit Hole, Nijmegen. Verder o.a. op dat festival (23 t/m 26 juni): Moderat, De La Soul, Father John Misty, Rag’n’Bone Man, Orchestra Baobab, Typhoon, Warpaint, Alma Quartet. Inl: downtherabbithole.nl