Cultuur

Interview

Interview

Foto AFP

‘Als bank in Italië leen je aan je vrienden’

Italiaanse econoom Luigi Zingales

Italië weet zich geen raad met zijn banken. De berg aan slecht krediet zegt veel over de toestand van het land, zegt hoogleraar Zingales.

Lijkt de ene bank eindelijk in rustiger vaarwater te komen, grijpen twee andere alweer naar de reddingsboei. Zo gaat het nu in Italië, dat zich maar geen raad weet met zijn wankele bankensector.

Onlangs ging de Europese Commissie in principe akkoord met herkapitalisatie door de Italiaanse staat van Monte dei Paschi di Siena, de op twee na grootste van het land. Terwijl die herkapitalisatie nog steeds niet rond is, kloppen Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca ook op de deur in Rome. Woensdag meldde Intesa Sanpaolo, de tweede bank van Italië, zijn interesse in deze twee middelgrote banken, maar dan wel alleen in de gezonde delen ervan.

Het grote probleem voor het bankwezen in Italië: de grote berg aan ‘slechte’ leningen op de balansen. Dat zijn leningen die niet, of niet volledig, kunnen worden terugbetaald door klanten. Bijna 18 procent van de totale uitstaande leningen in Italië is slecht krediet, volgens het IMF. Voor de crisis was dat nog zo’n 6 procent.

Het aandeel van ‘slechte leningen’ in het totaal, volgens de Wereldbank. Ter vergelijking staat Nederland er ook bij:

Luigi Zingales, econoom en hoogleraar aan de universiteit van Chicago, presenteerde deze week bij De Nederlandsche Bank onderzoek naar de achtergronden van de Italiaanse slechteleningenberg van in totaal zo’n 360 miljard euro. In de marge van de conferentie vertelt de Italiaan Zingales hoe de economie, de politiek én de cultuur van zijn land doorwerken op de bankbalansen.

Hoe werd het slechteleningenprobleem in Italië zo groot?

„De Italiaanse economie deed het al hopeloos voordat de kredietcrisis in 2008 toesloeg. Er was nauwelijks groei. De crisis veroorzaakte een golf van faillissementen. Bedrijven konden hun verplichtingen aan banken niet meer nakomen. De economische schok leidde zo tot een bankencrisis. Toen volgde de eurocrisis. Banken leenden amper nog geld uit, wat de economische problemen verergerde. En zo werd het slechteleningenprobleem ook nog groter.”

Hoe ziet een typische probleemlening eruit?

„Italië is een land van industrie, waaronder veel kleinere maakindustrie. Vooral daar vielen harde klappen. Stel, jij produceerde potten en pannen. Voordat China toetrad tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) [in 2001], verdiende je daar redelijk aan. Maar daarna had je door de Chinese concurrentie opeens geen toekomst meer. Veel Italiaanse ondernemers voelen zich diep verbonden met hun bedrijf. Het is heel moeilijk om opeens iets heel anders te gaan doen. Bedrijven staken zich steeds meer in de schulden om op de been te blijven. Op een gegeven moment gaat dat niet meer.”

Een verhaal van globalisering dus?

„Ja, globalisering, in combinatie met een bankensysteem dat lokaal bleef. Want Italiaanse banken zijn sterk aan hun regio gebonden. Het verdienmodel is: krediet verlenen aan je vrienden. Zolang die vrienden het goed doen, werkt dat fantastisch. Maar als het niet meer zo goed gaat, is het heel moeilijk hun krediet te weigeren. Het lenen ging te lang door.” 

Valt banken dit te verwijten?

„Veel banken namen te veel risico. We ontdekten dat vlak voor de crisis bijna 40 procent van de Italiaanse bankleningen in 2007 ging naar bedrijven die al diep in de schulden zaten. Dat is schokkend. Daarnaast heeft, volgens onze schatting, 8 à 10 procent van de totale verliezen op slecht krediet te maken met mogelijk illegaal gedrag. We mochten bij de Italiaanse centrale bank inzien welke banken zij heeft doorverwezen naar justitie. Dat kan bijvoorbeeld gaan om witwassen of het bevoordelen van klanten.”

Wat nu met al die probleemleningen moet gebeuren, bezorgt de autoriteiten kopzorgen. „Ze kunnen best op de bankbalansen blijven staan”, zegt Zingales. „Als er maar genoeg kapitaal tegenover staat”. Zingales, die al bijna dertig jaar in de VS woont, heeft de massale interventie van de Amerikaanse overheid na de kredietcrisis als model. De Amerikanen herkapitaliseerden de banken met 245 miljard dollar (220 miljard euro). „Je moet snel en hard ingrijpen. Dan gaat ook de economie weer draaien.” De Italiaan gaat daarmee in tegen de filosofie van de Europese bankenunie. Die is, kort gezegd: banken worden niet meer met belastinggeld gered, maar beleggers in bankaandelen en -obligaties draaien op voor de redding door verliezen te nemen. Zo werd onlangs de Spaanse Banco Popular opgedoekt en ondergebracht bij de gigant Banco Santander.

Waarom doet Italië dit niet ook zo?

„Een groot probleem is dat in Italië veel aandeel- en obligatiehouders van banken gewone spaarders zijn. Gepensioneerden die nergens iets van af wisten. En een Italiaanse Santander is er vooralsnog niet.”

Wat vindt u van de Italiaanse aanpak van deze crisis?

„Aanpak? Was er maar een aanpak. Ze treuzelen al veel te lang. Hoe langer je wacht met ingrijpen, hoe meer mensen wegrennen. Beleggers, spaarders, managers. Uiteindelijk nemen de verliezen alleen maar toe.

Italië had, net als Spanje eerder deed, de banken moeten herkapitaliseren met geld uit het Europese noodfonds ESM. Dat wil men niet om politieke redenen: het ESM stelt dan allerlei eisen dat is de Italiaanse eer te na. Maar de kosten van die eer zijn heel groot. Als obligatiehouders bij Popolare di Vicenza en Veneto straks moeten meebetalen aan de redding, worden kleine beleggers geraakt. Een tragedie.”