Musea weten niet hoe slecht het licht is

Museumverlichting Het licht in musea is een enorm probleem, zegt kunstenaar Peter Struycken. „Een grauwsluier.” „Een spookhuis.” „Een visuele martelgalerij.” Samen met museum Boijmans werkt Struycken aan een oplossing.

Kunstenaar Peter Struycken. Foto’s Walter Herfst

In scherpe bewoordingen karakteriseert beeldend kunstenaar Peter Struycken de kwaliteit van de verlichting in Nederlandse musea. Het Mauritshuis en het Kröller-Müller? Gelig licht. En in het Stedelijk hangt over alle kunst „een diepe grauwsluier”. Het Rijksmuseum en het Van Gogh hebben in donkere ruimten door het te gelige licht iets van „een spookhuis”. En de eerste verdieping van de Hermitage is „een visuele martelgalerij bij kaarslicht”. En dat alles, zegt Struycken op een spottende toon, „van ons belastinggeld”.

Al decennia ergert de kunstenaar zich aan de onzorgvuldige wijze waarop musea zonder daglicht schilderijen aanlichten. Het kunstlicht is te geel, te rood of te grauw. Of de kleuren van de schilderijen worden ongelijkmatig weergegeven, waarbij sommige kleuren aangetast worden en andere overdreven. Welke beslissingen Vermeer, Rembrandt en Van Gogh bij hun kleurkeuzes namen, de museumbezoeker kan er volgens Struycken geen goede indruk van krijgen.

Het kán beter, zegt hij. In die ambitie vond hij in Museum Boijmans Van Beuningen een medestander. De afgelopen acht jaar heeft Struycken met de technische dienst van het museum gewerkt aan verbetering van het licht. Dat wordt zaterdag 24 juni, tegelijk met de nieuwe opstelling van de collectie, in gebruik genomen.

Het is „work in progress”, zegt Struycken, de ideale museumlamp moet nog worden gemaakt. Maar de kleurweergave van de schilderijen in Boijmans is volgens hem nu wel een stuk beter dan in andere musea met kunstlicht.

Wat akoestiek is voor muziek, is verlichting voor schilderkunst, stelt Struycken. Daarom heeft het gebrek aan aandacht voor adequaat museumlicht hem altijd zo verbaasd.

Boerenbedrog

De verklaring? Allereerst wijst Struycken naar de industrie. Die heeft volgens hem nooit serieus werk willen maken van lampen met een kleurweergave zoals bij daglicht. „Daarvoor is geen markt, wordt dan gezegd.”

En nu de voorheen best mogelijke verlichting voor schilderijen – het energieslurpend halogeen – door de Europese Commissie in de ban is gedaan, moet de oplossing van ledlicht komen. Maar bij de ontwikkeling van ledlampen die de indruk van daglicht zouden moeten benaderen, de zogenaamde daglichtlampen, baseren fabrikanten zich op theoretische modellen die Struycken als „boerenbedrog” kwalificeert. „Deze daglichtlampen krijgen van de industrie wel een kwaliteitsgarantie voor kleurweergave, maar die heeft betrekking op het theoretisch model en niet op daglicht.”

 
Proefopstelling met zwart doek, dat een schilderij van David Salle in tweeën verdeelt. Welk kunstlicht benadert het dichtst de kleurweergave van daglicht? Op de rechterhelft van het doek valt daglicht, links steeds een andere soort of combinatie van kunstlicht. Links: Halogeenspot zonder TL omgevingsverlichting geeft een roodzweem. Recht: De nieuwe situatie in Boijmans: de nieuwe Philipsspot met TL omgevingsverlichting. Foto Walter Herfst

Tweede oorzaak voor de gebrekkige kleurweergave bij museumverlichting is de houding van conservatoren en directies, zegt Struycken. De meesten, merkte hij, lijken een blinde vlek te hebben voor het onderwerp.

Diverse malen heeft hij tevergeefs zijn diensten aan musea aangeboden. Lang geleden sprak hij bijvoorbeeld de toenmalige Boijmans-directeur J.C. Ebbinge Wubben aan op het licht in de grote zaal. Alsof je een puddingbroodje binnenstapte, zei Struycken. Maar Ebbinge Wubben antwoordde dat hij er geen last van had, want hij was kleurenblind.

En toen Struycken later zijn teleurstelling kenbaar maakte over de proefopstelling van het verbouwde Rijksmuseum, liet het Hoofd tentoonstellingen weten dat er al een lichtontwerper bij de nieuwe museumverlichting betrokken was.

Lees ook dit verhaal over tl-licht op kantoor. Wat doet kunstlicht met ons?

Directeur Pijbes was in zijn nopjes over de resultaten, herinnert Struycken zich. In zijn ‘Winterlezing’ voor de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen stelde Pijbes in 2013: „Licht is uiteraard cruciaal voor het zien en het genieten van kunstwerken. Door mijn verleden als theatertechnicus heb ik er enig verstand van. Licht zie je pas als het ergens op valt.”

Volgens Struycken zijn de museummedewerkers die verantwoordelijk zijn voor het licht vaak afkomstig uit de theaterwereld. „Dat zijn uitlichters. De kleur van schilderijen aanlichten, dat is iets heel anders.”

Bij de keuze van verlichting stellen musea vaak de bezoeker en niet de kunst voorop, zegt Struycken. „Het argument is vaak: ‘Is de sfeer goed?’ Of men streeft een theatrale verlichting na.” Dat leidt tot zalen met te gelig kaarslicht, die zeker voor bij daglicht gemaakte schilderijen de beleving in de weg staan.

Flikkerend kaarslicht

Met een even simpele als effectieve proefopstelling onderzocht Struycken in Boijmans welk kunstlicht het dichtst in de buurt van daglicht komt. In een zaal met een groot raam haalde hij de zonwering omhoog. Een schilderij van Jacob Maris, een stadsgezicht met een breed scala aan grijstinten, diende als testcase. Haaks op het schilderij hing hij een zwarte lap die het doek in tweeën verdeelde. Rechts daarvan viel het daglicht op het schilderij, links kon hij testen welke lampen het best de kleurweergave van het daglicht benaderden. Van een afstand kon Struycken beide helften steeds goed met elkaar vergelijken.

Uiteindelijk bleek een cocktail van kunstlicht het beste resultaat te bieden. Namelijk twee soorten tl-lampen als omgevingsverlichting (eentje met koel en een ander met warm licht), in combinatie met een nieuwe, op verzoek van het museum door Philips ontwikkelde ledspot op de schilderijen.

In discussies over nabootsing van daglicht wordt volgens Struycken aangevoerd dat daglicht nooit hetzelfde is. De vraag is dus welk licht is dan voor musea het beste?

Zelf heeft hij een voorkeur voor gemiddeld daglicht waarin zowel warme als koele componenten zitten. Maar omdat kunstlicht nog zo primitief en ongedifferentieerd is in vergelijking met daglicht, is de selectie van lampen voorlopig eenvoudig. De keuze komt neer op het uitsluiten van kleurzwemen en het aanvullen van kleurtekorten die overduidelijk zichtbaar zijn bij het vergelijken van led of tl met iedere kleur daglicht, op ieder tijdstip van de dag.

Natuurlijk blijven er vraagstukken genoeg, zegt Struycken. Moeten middeleeuwse schilderijen, bij daglicht geschilderd maar bij kaarslicht in kerken getoond, nu met vervangend flikkerend kaarslicht of met daglicht worden aangelicht? En moeten schilderijen die bij kunstlicht zijn geschilderd bij datzelfde licht worden getoond?

Roodzweem

Struycken toont allerlei grafieken van de industrie met de kleurtemperatuur en de golflengtes van verschillende lampen. Dat de gekozen combinatie voor Boijmans als beste uit de bus zou komen, was volgens hem echter langs theoretische weg niet te voorspellen. Dat gebeurde heel visueel en langs proefondervindelijke weg.

Om zijn gelijk te demonstreren maakt Struycken in Boijmans een nieuwe testopstelling, dit keer met een modern schilderij van de Amerikaanse kunstenaar David Salle, een grote jongenskop. Een eerdere led-spot die als ‘de ideale daglichtlamp’ is aangeprezen, zorgt voor een enorm roodzweem op de linkergezichtshelft van het jongensportret. Een ongedimde halogeenspot geeft een redelijk resultaat. Maar de nieuwe, speciaal voor Boijmans ontwikkelde ledspot sorteert met afstand het beste effect.

 
Links: Nieuwe Philips-spot zonder TL omgevingsverlichting. Te veel nadruk op de verlichting. Recht: De nieuwe situatie in Boijmans: de nieuwe Philipsspot met TL omgevingsverlichting. Foto Walter Herfst

Juichen

Voor Peter Struycken is er nog geen reden tot juichen. „We zitten nu op 80 procent, nee, laten we positief zijn, op 85 procent van wat ik in dit stadium zou willen.”

De ledspot alléén geeft een te schrale kleurweergave, zegt Struycken. „Er is een tekort aan rood en blauw, dat moet worden aangevuld door de tl-lampen. En alleen tl-lampen geeft ook een te schrale kleurweergave door het ontbreken van een voldoende breed spectrum. Maar gecombineerd merk je het licht niet op en krijgt het schilderij zijn kleur.”

Struycken heeft hoop dat in de toekomst verbeterd ledlicht wordt ontwikkeld, dat geschikt is voor algemene verlichting. Een lamp dus, zegt hij, met een gelijkmatige lichtspreiding, die geen donkere slagschaduwen onder schilderijlijsten veroorzaakt, die je als bezoeker niet verblindt en met een aan gemiddeld daglicht vergelijkbare kleurweergave.

Waar de kunstenaar van droomt is „levend licht”: kunstlicht dat net als daglicht onwaarneembaar maar turbulent beweegt. Door die eigenschap, zegt Struycken, heeft daglicht een bijna plastische, vloeibare kwaliteit waaraan kunstlicht vooralsnog niet kan tippen.