Google en Facebook: harder tegen terreur

Anti-terreur

Google en Facebook gaan harder optreden tegen terroristische propaganda. Hoe effectief dat is moet nog blijken.

In Londen worden terreurslachtoffers herdacht. Het hardere optreden van Google tegen terreur lijkt een reactie op aanslagen in Europa. Terroristen radicaliseren mogelijk via sociale media. Foto Tolga Akmen/AFP

Kort na Facebook komen nu ook Google en dochterbedrijf YouTube met plannen om de verspreiding van terroristische propaganda en haatzaaiende filmpjes en teksten harder te bestrijden. Dat blijkt uit een opiniestuk van Google-jurist Kent Walker zondag in The Financial Times.

Naast eigen maatregelen wil Google ook hechter gaan samenwerken met Facebook, Microsoft en Twitter in het bestrijden van haatzaaiend materiaal. De aankondiging komt vlak na een soortgelijk plan van Facebook, van vorige week donderdag. Beide willen kunstmatige intelligentie inzetten om haatzaaiende filmpjes en teksten te herkennen en te verwijderen.

In hoeverre de maatregelen effect zullen hebben, is onduidelijk. Hoofdprobleem is dat gebruikers van YouTube per minuut meer dan 400 uur video uploaden – te veel om in de gaten te houden, hoe goed mens en machine ook hun best doen. In 2016 tekenden de grote Amerikaanse techbedrijven nog een gedragscode met de EU, waarin ze beloofden opruiende haatberichten binnen 24 uur te verwijderen. Volgens een EU-onderzoek gebeurt dat echter slechts met 40 procent van het haatdragend materiaal.

De maatregelen van Google lijken een reactie op de recente terreuraanslagen in Londen en elders in West-Europa. Verschillende Europese terroristen blijken geradicaliseerd te zijn via sociale media. Zo keek een van de terroristen, die op 3 juni mensen doodstaken rond London Bridge, op YouTube naar opruiende preken van de in de VS wonende imam Ahmad Musa Jibril. Die preken roepen niet rechtstreeks op tot geweld en vallen daarom binnen de YouTube-regels.

Slechts een doorgeefluik

Sociale media als Facebook en YouTube houden graag vast aan het uitgangspunt dat ze slechts een doorgeefluik zijn, niet verantwoordelijk voor de inhoud die gebruikers erop zetten. Onder druk van politiek en publieke opinie, begint dit te kantelen. Door de vorm van de aankondiging, een opinieartikel in de FT, lijkt het erop dat Google hiermee antwoord geeft op bezorgde adverteerders en regeringen.

Die politieke druk komt van meerdere kanten. Vorige week zeiden de Britse premier Theresa May en de Franse premier Emmanuel Macron in een gezamenlijke verklaring dat ze mediabedrijven willen bewegen om „extremistisch materiaal en giftige video” beter te verwijderen – onder meer met nieuwe wetgeving.

De Duitse regering kwam in april al met een wetsvoorstel om online platforms waarop haatzaaiend materiaal wordt verspreid, boetes te geven, oplopend tot 50 miljoen euro.

In december uitte de Europese Commissie scherpe kritiek op de techbedrijven, die te weinig zouden doen om haatzaaien tegen te gaan. In de VS werden Facebook en Twitter door de FBI opgeroepen om strengere maatregelen te nemen tegen het kweken van ‘homegrown jihadists’.

Vermoedelijk speelt ook een rol dat in maart grote adverteerders stopten met adverteren op YouTube nadat de Times onthulde dat hun advertenties naast haatzaaiende video’s stonden. Dit gebeurt via automatische advertentieverspreiders; de adverteerders wisten het niet. Geschrokken trokken Amerikaanse bedrijven als Pepsi, Wallmart, AT&T, Rent-A-Car, en farmaceut Johnson & Johnson zich terug. YouTube paste hierop zijn advertentiebeleid aan: adverteerders kunnen aanvinken bij welk materiaal ze niet willen staan. De nieuwe maatregelen zijn een tegemoetkoming aan ongeruste adverteerders.