Een auto is zelden een wapen

Rechtspraak

Er is veel onbegrip over straffen voor zware verkeersdelicten. Daarom gaven rechters journalisten een kijkje in hun keuken.

Bloemen op de plek waar vorig jaar in Breda een 3-jarig jongetje werd doodgereden. De automobilist reed door. Foto ROBIN VAN LONKHUIJSEN/ANP

Hoe komt iemand erbij, anderhalf jaar geleden, om op de snelweg A2 bij Maarssen met 237 kilometer per uur in te rijden op een auto met een gezin waarvan de vader overlijdt? Wat bezielt iemand om, vorig jaar op Koningsdag, een peuter dood te rijden door met 80 kilometer per uur door een 30-kilometerzone in een Bredase woonwijk te scheuren?

Als de rechter de dader van dit soort verkeersincidenten veroordeelt, verandert het verdriet van de nabestaanden niet zelden in woede: ze vinden de straf te laag. Meer dan in andere zaken blijkt bij de toepassing van het verkeersrecht sprake van ‘ongemak in de samenleving’, zien rechters.

Frits Bakker, voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak in Den Haag: „Sommige mensen zeggen dat zij als gevolg van het leed levenslang hebben gekregen, en vinden dat de dader dan ook levenslang moet krijgen. Elke andere straf voelt dan als te laag.”

Daarom vindt de Raad het hoog tijd voor een kijkje in de keuken. Hoe gaat dat bij de berechting van dit soort delicten? Welke vragen moet de rechter beantwoorden en hoe komt hij tot zijn oordeel? Dinsdag ontving hij een groot aantal journalisten om het uit te leggen.

Welnu, wat rechters er ook persoonlijk van mogen vinden, ze worden bij het bepalen van een vonnis toch vooral beperkt door wat de wet voorschrijft, en door de jurisprudentie.

Auto als wapen

Voor wie doodrijders in het verkeer graag omschrijft als ‘moordenaars’ is het handig te bedenken dat er twee geschriften bestaan waaraan rechters gedragingen in het verkeer kunnen toetsen. Dat zijn de Wegenverkeerswet en het Wetboek van Strafrecht. Het komt niet zo vaak voor dat het reguliere Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De wetgever gaat er vanuit dat doorgaans niemand de auto in stapt om mensen met dat wapen te vermoorden – terroristen en furieuze enkelingen daargelaten. In veruit de meeste gevallen kan opzet niet worden bewezen, en zelfs niet ‘voorwaardelijke opzet’. Dat laatste wil zeggen dat iemand door zijn gedrag in het verkeer de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bewust heeft aanvaard.

In de buurt van dit verwijt komen misschien mensen die veel alcohol drinken, straalbezopen in de auto stappen en wie het vervolgens niets kan schelen wat er in het verkeer gebeurt. Maar echte opzet, zoals wanneer je in een café een barkruk pakt om iemand dood te slaan, of een brandende fakkel een huis binnengooit om dood en verderf te zaaien, is het meestal niet.

Sommige mensen zeggen dat zij als gevolg van het leed levenslang hebben gekregen, en vinden dat de dader dan ook levenslang moet krijgen

Bij verkeersdelicten is meestal sprake van ‘schuld’ en niet van ‘opzet’. Leidend is een onder meer een arrest van de Hoge Raad uit 1996, het zogenoemde Porsche-arrest, waarin werd bepaald dat een overmoedige bestuurder die veel te hard reed, een rood verkeerslicht negeerde en vier keer levensgevaarlijk inhaalde met als gevolg vijf doden, toch niet kon worden beschuldigd van opzet – onder meer omdat hij inhaalmanoeuvres steeds weer had afgebroken. Daarmee kon niet gezegd worden dat hij de kans op zijn eigen dood en ook niet die van de ander had aanvaard.

Ook is er een arrest van de Hoge Raad uit 2013, over een benzinedief op de A2. Die reed zes jaar geleden een automobilist dood toen hij inreed op een door de politie bewust gecreëerde file. De man kon niet voor doodslag worden veroordeeld, ook al probeerde hij heel bewust aan de achtervolgende politie te ontkomen. Zo blijven hoge straffen achterwege.

Roekeloos rijden

Blijft over: roekeloos rijden. Dat is wat de benzinedief op de A2 werd aangerekend en wat hem een gevangenisstraf van drie jaar opleverde, plus zes maanden ontzegging van de rijbevoegdheid.

Sinds het begrip ‘roekeloosheid’ ruim tien jaar geleden in de Wegenverkeerswet werd opgenomen, zijn de straffen gemiddeld zwaarder geworden. Maar in de wet staat niet duidelijk omschreven wat onder roekeloos rijden wordt verstaan. Apart genoemd worden daarin wel: veel te hard rijden; bumperkleven; geen voorrang geven en gevaarlijk inhalen. Als hiervan sprake is, bepaalde de Hoge Raad in 2013, levert dat niet snel roekeloosheid op.

Roekeloosheid wordt alleen in uitzonderlijke gevallen aangenomen, bijvoorbeeld bij straatraces en vluchten voor de politie. Dit betekent dat niet snel wordt bestraft volgens de norm van roekeloosheid. En dus, stellen rechters vast, moeten zij ten overstaan van veelal wanhopige of woedende nabestaanden in de rechtszaal uitleggen dat de veroorzaker van hun leed niet kan worden veroordeeld wegens roekeloos rijgedrag.

Verandering ligt bij de politiek

Overigens is ook de eis van menig officier van justitie in dit soort zaken met enige regelmaat lager dan de uiteindelijke straf. Bijvoorbeeld, zeggen de rechters, doordat ze rekening houden met alle omstandigheden, zoals eerdere veroordelingen. Boetes voor snelheidsovertredingen tellen dan weer niet, want die worden in Nederland opgelegd aan voertuigen op kenteken, niet aan personen.

Zou de Raad voor de Rechtspraak willen dat de wetten worden veranderd? Zodat wél zwaarder kan worden gestraft om antwoord te geven op de publieke verontwaardiging? Voorzitter Bakker van de Raad vindt dat dan iets moet veranderen aan het juridische begrip roekeloosheid. Dat kan via de Hoge Raad of via de wetgever.

„Maar niet via de Raad. De Raad heeft een adviserende rol als de politiek zou besluiten de wetten te veranderen.”

Overigens is in de politiek het debat over de strafmaat bij dodelijke verkeersongevallen al eerder losgebrand. De Tweede Kamer heeft er over gedebatteerd en is in afwachting van nader onderzoek.