Recensie

Een dreigende en kraakheldere Perahia

Klassiek

Murray Perahia laat horen hoe je Beethovens ‘Opus 111’ tegelijkertijd dreigend en kraakhelder speelt.

Het professionele pianistencircuit herbergt een keur aan flamboyante, vingervlugge virtuozen. Zeldzamer is de intellectuele pianist-architect, de expert van de spanningsboog, de dragende melodielijn en de harmonische fundering. Ziehier Murray Perahia. In Riaskoffs serie Meesterpianisten speelde hij zondag onder meer Beethovens laatste pianosonate.

Voor onvermoeibare structuurvorsers als Perahia is Beethovens Opus 111 dankbaar materiaal, al was het maar omdat de klassieke sonatevorm er tot het uiterste wordt opgerekt. Neem het eerste deel met zijn grimmige motieven, stuwende notenmassa’s en op drift geraakte harmonieën. Perahia liet horen hoe je tegelijkertijd dreigend en kraakhelder speelt.

In het tweede deel verdicht een ‘Arietta’-thema zich via een reeks variaties en ritmische versnellingen tot een opeenstapeling van fel flakkerende trillers: pure, gesublimeerde klank, waaruit de ariamelodie als een feniks herrijst. Met zijn ijzeren greep gaf Perahia die overkoepelende lijn gestalte en groef hij zich trefzeker een weg naar de spirituele vergezichten die achter de noten schuilgaan. In Beethovens laatste sonate resoneert zoiets als een ontluikend romantisch bewustzijn.

Iets van die metafysische ondertonen liet Perahia al doorschemeren in zijn etherische vertolking van het Arietta-thema. De vijfde variatie flonkerde in zijn handen; ragfijne notenslierten in de hoogte omspeelden een zacht pulserende ‘e’. Jammer dat de derde variatie (grillige boogie-ritmiek avant la lettre) naar het einde toe wat uit het lood werd geslagen door al te drieste fortes.

Perahia’s interpretatie van Schuberts Impromptus D935 maakte indruk door een sterke melodische span- en vertelkracht.