Column

Geen boom groeit én brandt zo snel als een eucalyptus

Alle Portugese branden zijn aangestoken, hoorde Caroline de Gruyter van een bevriende bosbouwer.

Dertien jaar lang gingen wij elke zomer naar Portugal. Dertien jaar lang waren we omgeven door bosbranden. We zaten altijd in de groene, koele Minho, in het noorden aan de Spaanse grens. Soms zagen we vanaf het balkon vier of vijf bosbranden tegelijk in de heuvels tegenover ons. Bij donker had je gratis son et lumière. Helikopters vlogen de hele dag laag over, haalden water uit de rivier Lima en gooiden dat over de branden. De rook was soms zo dik, dat de zon er dagen niet door kwam. Dan dwarrelden er asvlokken en geblakerde houtschilfers neer. Dat plakte op je huid. Op het zwembad lag een vettige grijze drab.

Onze vriend José nam ons eens mee naar een groot bos. Hij wilde uitleggen waar die branden vandaan kwamen. José had bosbouw gestudeerd en kweekte een grassoort die niet verdort in de hitte. Eerst gingen we langs het boswachtershuis. De man was er niet, maar het huis was bewoond. Ernaast lag een kwekerij met babyboompjes. Ze waren verdord. De aarde was kurkdroog. José zei dat de boswachter hier tot voor kort stekjes kweekte die hij in het bos plantte. Anders bestond het bos binnen de kortste keren alleen uit eucalyptus. Vroeger stonden Portugese bossen vol kurk, eiken en dennen. In zulke ‘gemengde’ bossen is het koud. Dieren schuilen tegen de zon en eten van de lage struiken. Er zijn weinig dode takken. De boswachter plantte geen stekjes meer. Het ministerie zat krap bij kas. De boswachter was overgeheveld naar het ministerie van Politie, voor wie ‘diversiteit van de bossen’ geen prioriteit was.

José: Eén lucifer en je hebt brand. Beetje wind erbij en hectares gaan verloren.

Dit was staatsgrond. Particuliere landeigenaren hadden ook steeds minder diversiteit in hun bos. Portugal heeft altijd papier- en meubelfabrieken gehad; in de Minho stond een grote stinkende papierfabriek, reden vrachtwagens met boomstammen af en aan. De concurrentie met papierfabrieken uit Brazilië is moordend. Daarom willen de Portugese fabrieken almaar goedkoper hout. Geen boom groeit zo snel als een eucalyptus. Daarom zetten landeigenaren hun bossen er vol mee. Van alle bosbranden, zei oud-minister Rui Pereira eens, „is 90 procent door mensen veroorzaakt”. Aangestoken, dus. In de Minho vinden ze dit aan de voorzichtige kant. Álle branden, zeggen José en vrienden, zijn aangestoken. Uit sociale nijd, om de landprijs te verlagen. Omdat afgeblakerde bomen goedkoper zijn voor houthandelaars dan ‘met-schors’.

Dé methode voor de meeste pyromanen, zei José: je vult een (fiets)binnenband met benzine, hangt die in een boom en zet er een kaars onder. Terwijl jij je uit de voeten maakt, warmt de band langzaam op. Als hij uit elkaar spat, sproeit hij een regen van brandende benzine meters om zich heen. Er zijn pyromanen opgepakt die dit zeiden. Soms werken ze met twee of drie tegelijk; de brandweer kan niet overal zijn.

We liepen een bos in vol eucalyptusbomen: lange dunne stammen, alleen bovenin gebladerte, overal droge takken. Het was er zonnig, bloedheet. Alles kraakte onder je voeten. José: „Eén lucifer en je hebt brand. Beetje wind erbij en hectares gaan verloren.” Later kwamen we bij een ander bos. Er stonden bomen en struiken in: sommige hoog, andere laag. Alles was groen. Vogelgekwetter. Hier was het donker: er kwam geen zonlicht doorheen. En het was er zeker tien graden koeler dan in het eucalyptusbos van daarnet.

Die wandeling is nu een paar jaar geleden. Steeds als er vlammen over de snelweg sloegen, als tv-journaals openden met bezwete brandweermannen, als we foto’s maakten van vlammenzeeën aan de overkant, moest ik aan die wandeling denken van het kokendhete bos naar het koele bos. En aan die verpieterde kwekerij. Hopelijk neemt José de regering ook eens mee.