Weelde

Het Nederlandse cyclisme beleeft hoogtijdagen. We hebben klimmers en sprinters die resoluut voor de winst gaan. De aartsvader van de UCI, Hein Verbruggen, mag het niet meer meemaken, maar hij heeft wel een stroomstoot gegeven aan professionalisering en internationalisering. Daar hebben Nederlandse wielerploegen gretig gebruik van gemaakt.

Ook binnen het IOC gaf Hein wielrennen een olympisch cachet. Zijn opvolger Camiel Eurlings sprak daarover een klein in memoriam uit, maar zijn meel in de mond was niet te harden – blaag van het ergste soort.

Nederlandse renners kiezen al jaren voor een internationaal programma. De kermiscoureur is dood. Dat werpt zijn vruchten af. Boegbeelden komen van over de grens: Tom Dumoulin met zijn eindzege in de Giro voorop, natuurlijk. Gestroomlijnd en gecoiffeerd als Felice Gimondi en Mario Cipollini in hun tijd met ook nog een nieuwe vocabulaire ver van het verbale stoempen. De betekenis van Dumoulin voor de Nederlandse wielersport verdient een Grieks heldengedicht.

Naast Dumoulin is er ook nog Steven Kruijswijk die kans maakt om de Ronde van Zwitserland te winnen. Een etappewedstrijd met prestige die sinds jaar en dag als het voorgeborchte van de Tour wordt gezien. Kruijswijk kan bevestigen als aanvallende ronderenner. Zonder tegenslag gaat geen berg hem te hoog.

En dan zijn er nog de sprinters die alle schroom hebben afgeworpen en niet meer opzij gaan voor Greipel, Cavendish en Kittel. Van Poppel is snel en in de Ster ZLM Toer is de dominantie van sprinter Dylan Groenewegen indrukwekkend. Hij wordt al de nieuwe Jeroen Blijlevens genoemd. Twee dagen na elkaar gaf hij gevestigde sprintbommen het nakijken. In het voorjaar was al opgevallen dat Groenewegen zich als rouleur-sprinter heeft ontwikkeld. Nederland heeft een nieuwe Gerben Karstens. Hij mag in staat geacht worden een sprintetappe in de Tour op zak te steken. Al krijgt hij daar te maken met ene Peter Sagan, die in Zwitserland alle sprinters met verstomming sloeg.

Voor het eerst kunnen we weer spreken van vedetten in het Nederlandse wielrennen. Michael Boogerd, Robert Gesink, Bau en Lau werden periodiek ook aanbeden door de massa, maar hun polderluchtje raakten ze niet kwijt. Ze zijn geen Parisien zoals Tom Dumoulin.

Boegbeelden houden maar stand bij opeenvolgende resultaten. De Tour zonder één Nederlandse etappezege doet dromen instorten.

Het is de hoogste tijd dat weer eens een Nederlander geschiedenis schrijft in La Grande Boucle. De Ster ZLM Toer is leuk voor de mensen langs het parcours, maar de sportieve uitstraling is nihil. Ook daarom rijden de grote jongens zich niet te pletter. Alleen in de Tour krijgt de Nederlandse hoogconjunctuur handen en voeten voor jaren. Terwijl de Giro en de Vuelta intrinsiek mooiere rondes zijn. Waar de kermis het wint van de commercie.

Erik Breukink was in zijn tijd een formidabele renner. Mooie jongen, gebeeldhouwd op de fiets. Maar winst in een grote ronde zat er niet in, hooguit een enkele keer het podium. In tegenstelling tot Jan Janssen en Joop Zoetemelk is Breukink vergeten in de kelder naslagwerken. Hij wordt niet meer gevraagd om een podium mee op te luisteren. Door de eindzege in de Giro van Dumoulin is zijn carrière helemaal verbleekt. Het is onrechtvaardig, maar Erik leeft niet meer in de herinnering. Alleen winnaars krijgen eeuwigheidswaarde. Dylan Groenewegen heeft nog een weg te gaan om ‘Jerommeke’ Blijlevens uit de boeken te fietsen.