Waarom hij Lubbers niet in Brussel wilde

Ruziënde Christen-democraten Helmut Kohl wilde niet dat Ruud Lubbers na zijn premierschap voorzitter werd van de Europese Commissie. Hij heeft nooit opgehelderd waarom niet.

Ze waren beiden lid van de christen-democratische familie, ze kwamen in het najaar van 1982 beiden bijna gelijktijdig aan de macht, ze voerden beiden nagenoeg dezelfde economische politiek. Toch klikte het niet tussen de twee. Integendeel. Toen Wim Kok in 1994 Ruud Lubbers opvolgde als premier bevonden de Duits-Nederlandse betrekkingen zich volgens Kok „op een dieptepunt”.

De reden: Kohls veto dat jaar over de kandidatuur van Lubbers voor het voorzitterschap van de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EU die toen nog uit twaalf landen bestond.

Een expliciete motivatie van zijn bezwaren tegen Lubbers heeft Kohl nooit gegeven. Alom wordt aangenomen dat dit te maken had met Lubbers’ gereserveerde houding tegenover de plannen van Kohl om na de val van de Muur in 1989 West- en Oost Duitsland te herenigen. Een houding die Lubbers later altijd ontkend heeft. „Ik was van het allereerste begin een groot voorstander van de Duitse eenwording”, zei hij in 1997 in een vraaggesprek met NRC. Dat hij dus tegen de Duitse eenwording was, zoals door Kohl gesuggereerd, was „klinkklare onzin”.

Kohl hoopte op solidariteit

Maar Lubbers was geclausuleerd voor. En juist daar had Kohl zo’n moeite mee. Hij had gehoopt op solidariteit van de Europese partners bij zijn eenheidsstreven, maar kreeg van iemand als Lubbers in 1989 ten overstaan van alle andere Europese regeringsleiders zeer kritische vragen – „een ondervraging” noemde Kohl het later – over de toekomstige Oostgrens van Duitsland. Hoe dat dan zat met de Oder Neisse-grens, wilde Lubbers weten. Ook adviseerde Lubbers Kohl tijdens deze top van Europese regeringsleiders in Straatsburg beter niet te spreken van één Duits volk. „Dit vereiste enige moed”, scheef de Britse ex-premier Margaret Thatcher in 1993 in haar memoires.

Toen enkele jaren later Lubbers een vurig pleidooi ging houden voor Amsterdam als vestigingsplaats van de nieuw op te richten Europese Centrale Bank, en zich daarmee keerde tegen de wens van Duitsland die bank in Frankfurt neer te zetten, had Kohl het gehad met zijn Nederlandse ambtgenoot. Kohl had de hoofdzetel van de Europese bank nodig als compensatie voor het inleveren van de D-mark. Helemaal vreemd vond Kohl het dat Lubbers ging pleiten voor Bonn als plek voor de bank als het dan toch Duitsland moest worden. „Duitsland zegt toch ook niet dat het Alkmaar in plaats van Amsterdam moest zijn”, liet hij zich ontvallen.

En dan was er ten slotte nog een gebeurtenis die beschreven staat in het in 2000 door Parool-journalist Bert Steinmetz geschreven boek over Lubbers. In de voor het CDA chaotisch verlopende verkiezingscampagne van 1994 had vertrekkend partijleider Lubbers enkele dagen voor de verkiezingen laten weten niet op zijn opvolger en lijsttrekker Elco Brinkman te stemmen, maar op de nummer drie, Ernst Hirsch Ballin. Een verbijsterde Kohl zou toen tegen naaste medewerkers hebben uitgeroepen: „Hoe zal iemand die zijn eigen politieke vrienden zo behandelt, ons behandelen als hij voorzitter van de Europese Commissie is?”

Europese top op Corfu

Daarmee was het lot van Lubbers, die hoopte eind juni 1994 tijdens een Europese top op Corfu benoemd te worden als voorzitter van de Commissie, bezegeld.

„Die op scherp staande relatie tussen Lubbers en Kohl die een flinke tijd goede vrienden waren heeft de Nederlands-Duitse verhoudingen toen een tik gegeven”, zegt Wim Kok. Hijzelf had destijds als vice-premier de taak tijdens de top op het Griekse eiland voor de kandidatuur van Lubbers te pleiten. „Dat heb ik toen met verve gedaan maar zonder succes.”

Na het ‘nee’ van Kohl is Kok toen midden in de nacht om een uur of vier nog een glas bier met Kohl gaan drinken. Kok: „Ik was pissig, functioneel pissig maar toch ook meer dan dat. Ik vond dat zijn bezwaar tegen Lubbers niet gemotiveerd was, en zei dat recht voor zijn raap tegen Kohl. Het was niet bepaald een vriendschappelijk gesprek. Het heeft behoorlijk gevlamd. Ik deed het niet met een zachte, diplomatieke fluwelen hand. Ik heb gezegd dat het me niet beviel en dat een groot land als Duitsland op een gelijkwaardige manier met ons moest omgaan. Ik geloof dat Kohl het wel heeft gewaardeerd dat ik het zo open tegen hem zei.”

Hoe ging het verder met de Duits-Nederlandse betrekkingen, nadat Kok in 1994 Lubbers als premier was opgevolgd? Kok: „Zonder Lubbers te verloochenen heb ik als premier kunnen constateren dat Kohl bereid was een echte samenwerkingsrelatie met Nederland te stimuleren.”

„Hij heeft een goede beurt gemaakt door in 1995 een bezoek te brengen aan Nederland en gesprekken op het Catshuis te voeren met Nederlanders die bij de oorlog betrokken waren geweest. Kohl heeft toen ook in Rotterdam bij het beeld van Zadkine een toespraak gehouden en een krans gelegd. Daarmee heeft hij toen in Nederland wel een snaar geraakt. Ik heb gemerkt dat Kohl een Duitse kanselier was met aandacht voor de pijn van het verleden.”