Column

Vaccineer die aardappel gewoon

Afgelopen woensdag mocht ik midden in de Flevopolder in een theaterzaal een paar honderd Nederlandse aardappeltelers toespreken. Ze kwamen bijeen voor de vergadering met hun afnemer: Aviko. De sfeer was goed. Na twee jaren van hele matige oogsten – droogte in 2015, waterschade in 2016 – lagen de prijzen nu mooi op niveau.

Ik had lang getwijfeld over mijn verhaal. Het voelde op de één of andere manier kolderiek om een zaal vol telers te vertellen over het romantische ideaal van natuurlijkheid en ambachtelijkheid dat zich steeds nadrukkelijker manifesteert bij de consument. In de Albert Heijn, honderd meter verderop, was het misschien een open deur geweest. Maar hier, in de belevingswereld van de akkerbouwer, leek het ridicuul. In dit kleine land, dat 17 miljoen mensen en één van de meest intensieve en productieve landbouwgebieden herbergt, zou je denken dat de werelden van productie en consumptie meer zouden overlappen. Maar we leven langs elkaar heen.

De moderne consument wil het liefst natuurlijke, lokale, onbespoten, efficiënt geteelde friet. Het probleem is: die bestaat niet. De aardappelteelt voert nog altijd strijd tegen Phytophthora infestans, aardappelziekte, die tweehonderd jaar terug de grote Ierse hongersnood veroorzaakte. Als het nat wordt en de sporen hun kans zien, klimt de aardappelteler op zijn spuitmachine en sproeit een paar liter antischimmelmiddel per hectare over de aardappelen. In de biologische teelt is dat soort chemische oorlogsvoering verboden. Er was grote ophef over mogelijk illegaal gebruik van koper afgelopen jaar om nog iets van de oogst uit de bek van het beest te redden. De enige andere tactiek is die van de verschroeide aarde: alles in de hens zetten en hopen dat het volgend jaar beter is. Afgelopen jaar raakten driekwart van de biologische telers in de Flevopolder hun oogst op die manier kwijt.

Ik sprak één teler die met zijn bedrijf was overgestapt naar biologisch, half gedreven door het gedachtegoed, half gedreven door het aantrekkelijke kostenplaatje. Maar ook hij had maar een klein veldje aardappels. Het was té risicovol.

Het lukt Nederlandse veredelaars steeds beter om, ook zonder genetisch gereedschap, allerlei resistenties tegen ziektes in tomaten, uien en peen te introduceren. Dat zijn prachtige innovaties: je stapt over van bestrijden naar vaccineren. Maar bij de aardappel zit de genetica tegen. Bij elke kruising komen niet alleen alle mooie eigenschappen in het nageslacht terecht, maar ook de rest. Pootgoed veredelen is alsof je probeert om geblinddoekt en met je handen op je rug gebonden dit artikel netjes uit de krant te scheuren.

In Amerika hebben de autoriteiten hun veredelaars inmiddels wél hun blinddoek afgedaan en zelfs een schaar in de handen gedrukt. Die schaar heet ‘cisgenese’. Je knipt het gewenste gen uit een lelijke kleine Mexicaanse wilde aardappel die immuun is voor pfytophtora en plakt hem in een prachtige lange frietaardappel. In Amerika zijn inmiddels drie van dit soort resistente rassen op de markt, die hooguit nog een onderhoudsdrupje antischimmelmiddel op de akker nodig hebben. Wageningen kan dit ook, heel goed zelfs. In Nederland kunnen we achter de schermen prachtig mooi rotzooien met genetica. We hebben al honderd keer proefgedraaid. We staan te trappelen. Maar de industrie wil zijn vingers er niet aan branden. Het is té risicovol in technofoob Europa.

Het is 2017. Terwijl ze in Amerika hun aardappelen kunnen vaccineren, klimmen de Nederlandse telers ook dit seizoen weer op de spuiter. Het is té makkelijk om naar Greenpeace en Friends of the Earth te wijzen of naar de zogenaamd “groene” politici. Zij zijn slechts de voorbode van het leger romantische technofobe consumenten die ongehinderd door enige realiteitszin bij de foodtruck hun lokale biologische onbespoten frietjes gaan halen. Zogenaamd duurzaam. „Natuurlijk”.

Ik reed terug door de Flevopolder en dacht aan natuurlijkheid. Met stip het grootste misverstand van deze tijd. In Nederland is er helemaal niets waar wij mensen niet uitgebreid met onze tengels aan hebben gezeten. Het land zelf hebben we hoogstpersoonlijk afgedamd en leeggehoosd. We hebben er kaarsrechte perceeltjes in getrokken, hebben er hybride resistente hoogrenderende zaadjes geplant. We hebben ze beregend, onhebbelijkheden weggespoten en extra voeding aan laten rukken uit de ammoniafabriek. Dat is niet natuurlijk. Het is beter dan natuurlijk. Nu is het tijd voor een volgend hoofdstuk.

Rosanne Hertzberger is microbioloog