Column

Geef de democratie niet de schuld

Een half jaar geleden, rond kerst, waren veel Europeanen somber over de toekomst. Verschrikkelijk somber. 2016 was het jaar van de Brexit en Trump. 2017, voorspelden velen, ging ‘revolutionair’ worden: populisten konden in Frankrijk, Nederland en elders aan de macht komen. Opstanden tegen ‘het systeem’ konden zo uitbreken. Een boek uit 1989 over massahysterie honderd jaar geleden – Das Zeitalter der Nervosität – werd herdrukt en stukgelezen. De Russische ambassadeur in Turkije werd vermoord en mensen twitterden: „Is dit het Franz Ferdinand-moment van de 21ste eeuw?” Velen voorspelden het eind van het westerse liberalisme, ja zelfs van de westerse democratie.

Maar zie: het is juni 2017 en al die dingen zijn niet gebeurd. De populisten hebben geen enkele verkiezing gewonnen. Sommige leiders pleiten weer openlijk voor meer Europese integratie. Zelfs van de nukkige Oostenrijkers wil 75 procent in de EU blijven. Fransen en Duitsers zitten achter de tekentafel om een Europese defensie op te tuigen en betere structuren voor de euro te bedenken. De premier van een EU-land vroeg zijn ministers laatst achter gesloten deuren minder op Brussel in te hakken, om kiezers enigszins ‘voor te bereiden’ op een wat meer Europese koers. Zijn land leeft van de interne markt en wil de boot niet missen. Ook Nederland moet op deze golven meedeinen. Partijleiders weten: dit zijn beslissende tijden. Nederland zit in het hart van de Europese samenwerking. We doen aan alles mee, van Schengen en de euro tot de bankenunie. Dus moet er een regering komen met partijen die constructief meedenken, geen anti-Europese hysterie zaaien. Niemand praat hierover – maar reken erop dat de VVD alles doet om PVV’ers en andere eurosceptici buiten boord te houden.

So far, so good. Maar interessante vragen blijven: hoe kon de stemming zo snel omslaan? Dachten velen na Trump en de Brexit: zó radicaal hoeft het ook weer niet? Of zag het continent parallellen met de jaren dertig en dachten mensen: dit overkomt ons niet weer? Die dingen hebben ongetwijfeld meegespeeld – een teken dat de mens soms toch een béétje van de geschiedenis leert.

De Franse filosoof Frédéric Worms biedt in zijn boek Les maladies chroniques de la démocratie een diepere verklaring. Volgens hem hebben veel westerlingen afgelopen tijd de fout gemaakt hun angst voor en ontevredenheid over ‘het systeem’ aan de democratie te wijten – en geconcludeerd dat de democratie dus ten dode was opgeschreven. Alsof democratie iets statisch is. Onzin, zegt Worms: democratie is geen doel op zich, eerder een manier om diverse groepen in de maatschappij zo te besturen dat ze elkaar niet naar de strot vliegen. Elke verandering in de wereld leidt tot nieuwe verhoudingen, omdat de noodzakelijke balans tussen vrijheid en gelijkheid dan verschuift. Soms slaagt de democratie er beter in die balans te bewaren of te herstellen dan anders. Er is vooruitgang, maar er zijn ook tegenslagen. Hetzelfde dualisme zit in de mens zelf: we hebben goede en slechte eigenschappen. Alles is een kwestie van balans. „Democratie is niet ‘eindig’”, schrijft Worms. Het is eerder een proces, de weg naar een perfectie die je nooit bereikt omdat mensen feilbaar zijn. Wat je moet doen, is constant proberen het beste eruit te halen. Zo bezien is het herwonnen optimisme in Europa een teken van de veerkracht van de democratie.

Worms (1964) is opgewekt en schrijft toegankelijk. Hij is vaak op de radio (France Culture) te beluisteren en kreeg laatst zelfs een scholierenprijs. Dit boek over de democratie moet in het Nederlands vertaald worden. Als het tij weer eens keert, gebeurt het hopelijk wat minder heftig.