Deprimerende lomperik en een Dikke Bertha

Architectuur

Woontorens worden in Nederland altijd dikke lomperiken. Zo ook twee nieuwe torens in Amsterdam.

B’Mine, naast de A’dam Toren aan het IJ. Foto Simon Trel

Een van de bezwaren van architect Rudy Uytenhaak tegen het plan om 28 woontorens te bouwen in de Sluisbuurt is dat torens ‘domme’, dure gebouwen zijn. Ze zijn als een avocado met een heel dikke pit, legde hij eind maart uit tijdens een drukbezocht debat in De Balie over het torenplan van de gemeente Amsterdam. Torens zijn inefficiënte woongebouwen: voor liften, trappen en installaties is zoveel ruimte nodig dat er relatief weinig vloeroppervlak voor de woningen overblijft.

In een interview voorspelde Uytenhaak dan ook dat van de verleidelijk slanke torens in het plan voor de Sluisbuurt weinig terecht zou komen. Volgens een oude Amerikaanse definitie zijn wolkenkrabbers ‘machines that make the land pay’ en dus zullen de projectontwikkelaars die in de Sluisbuurt aan de slag gaan torens bouwen die zo dik mogelijk zijn, zo legde hij uit. De verleidelijk slanke torens die in het plan getekend, zijn nooit rendabel op de kostbare Amsterdamse grond, zeker als er ook niet al te dure woningen voor de middenklasse moeten komen en peperdure, ondergrondse garages.

Dat Uytenhaaks voorspelling dat de Sluisbuurt vol komt te staan met Dikke Bertha’s vrijwel zeker uitkomt, bewijzen twee nieuwe woontorens in Amsterdam. De ene, getooid met de naam B’mine, staat naast de A’dam Toren (voormalige Shelltoren) aan het IJ, en is zo dik dat hij het gevoel geeft dat de bouwers het bovenstuk hebben vergeten en de steigers laten staan. De andere, Home geheten, is gebouwd in het Amstelkwartier en heeft weliswaar één scherpe zijde, maar is van alle andere kanten gezien een lomperik.

Toch zijn de twee nieuwe torens ontworpen door gerenommeerde architecten. B’Mine (75 meter) is van Paul de Ruiter en Home (73 meter) van Mecanoo, het bureau van Francine Houben.

Home, de nieuwe woontoren in het Amstelkwartier. Foto: Simon Trel

Vooral Home is een regelrechte mislukking. Trots meldt de opdrachtgever dat de woontoren klimaatneutraal is, maar hiervoor was wel nodig dat een groot deel van de gevels is bekleed met lelijke, donkere zonnepanelen. Vooral gezien vanuit de Welnastraat vormt Home een duistere muur met iets verspringende rijen armzalige balkonnetjes. Doordat ook de zonnecelloze geveldelen zijn bedekt met geprefabriceerde panelen, lijkt Home sprekend op een deprimerende Plattenbauflat in een buitenwijk van Oost-Berlijn waar een architect nog een artistiek tintje aan heeft willen geven.

De Duitse architect Hans Kollhoff, die mooie torens in Den Haag heeft gebouwd, heeft eens opgemerkt dat de kunst van het ontwerpen van wolkenkrabbers is om ze naar boven toe „slanker en filigraner” te maken en ze zo te „verzoenen met de hemel”. Daartoe moet een architect „te werk gaan als een couturier die voor een gevulde vrouw een jurk met verticale strepen ontwerpt om haar slanker te maken”, zei hij.

In B’Mine heeft Paul de Ruiter geen enkele moeite gedaan om de toren met de hemel te verzoenen en slanker te maken. Zeker, hij heeft alle vier gevels laten behangen met dunne verticale balken. Maar dat heeft hij vooral gedaan om de uitstekende balkons (waar veel architecten een gruwelijke hekel aan hebben) te verhullen.

Het gevolg is dat de toren nog breder lijkt dan hij eigenlijk is. Zo is een B’Mine een gevulde vrouw geworden in een corset dat haar niet slanker maar juist dikker maakt.