Recensie

Zien zonder aap noot mies ertussen

Thomas Möhlmann

Dichter Möhlmann, een meester in verwijzingen, verrast in zijn vierde dichtbundel, omdat zijn taal de logica weet te doorbreken. Alles is dus denkbaar, maar niets waarschijnlijk.

Foto ISTOCK

Van alle hedendaagse dichters lijkt Thomas Möhlmann (1975) bovenal een ‘mededichter’. Waar zijn verzen al niet rechtstreeks gekoppeld zijn aan de poëzie van tijdgenoten, suggereert hij nu en dan hartelijke verwantschap. Dat gebeurt volstrekt inzichtelijk in het titelgedicht van zijn vierde bundel. ‘Ik was een hond,’ schrijft hij daarin, ‘tot ik bedacht net zo goed / een dichter te kunnen zijn, of een kleine jongen / die prima precies het verschil wist tussen a en b.’ En in het tweede couplet: ‘Ik was een teakhouten tafel tot ik me in de sofa / verplaatste en bij haar bleef.’ Hier klinkt een echo van Erik Menkveld. In diens debuutbundel De karpersimilator (1997) zag hij een oude boxer. Een jaar of dertig later besefte hij: ‘ik had hem makkelijk / kunnen zijn, en niet alleen / hem, dat kleed ook, / die clubfauteuil, / dat teakhouten buffet…’

In zulke verwijzingen toonde Möhlmann zich al een meester in Waar we wonen (2013). Ze zijn doorgaans ook zeer toepasselijk in het kompasloze territorium van zijn poëzie. In dat landschap bestaat geen orde, of is elke orde mogelijk. Bij Möhlmann is alles denkbaar, maar niets waarschijnlijk. Niettemin is er een doel, dat als motto voorafgaat aan de lange cyclus ‘Alle vogels die hun vleugels uitslaan’. Möhlmann ging voor dat motto te leen bij K. Michel; ‘niet te kunnen lezen / maar te zien // te zien zonder / aap noot mies ertussen’. Het is de droom van elke serieuze dichter. Zien wat nog nooit benoemd werd, en dat benoemen. Of een dimensie dieper nog, zoals Gerrit Kouwenaar het stelde: ‘Een gedicht is zichzelf.’

Zo ver is Thomas Möhlmann nog niet, maar zijn taal weet vaak de logica te doorbreken, en wordt daardoor goede poëzie. Verrassend soms, zoals op het laatste moment in ‘Spaar ze allemaal’.

De ene zegt geef me je hand, je rechterhand

je vingers zijn de hamers op mijn hoofd.

De ander zegt dat het kouder wordt naarmate

je er verder vandaan raakt, je gaat naar links:

koud koud, je gaat naar rechts kouder kouder

De derde zegt je hebt mensen die handig zijn en mensen

die kunnen dansen, ik ken nauwelijks mensen die

een huis kunnen bouwen maar ik kan dansvloeren

vullen met mensen die denken dat ze kunnen dansen.

De vijfde geeft je een hand, zegt: aangenaam en

hoe maakt u het en de zesde valt in slaap, nummer

zeven dekt haar toe, trekt het dekbed strak om allebei

de schouders en de voeten, en de sterren leggen hun

barmhartige armen om heel het warme landschap neer

en acht houdt wacht en negen trommelt met zijn vingers

op het voorhoofd van tien, die vouwvliegtuigjes spaart

en warmer mompelt warmer warmer en waar is vier.

In dit gedicht hangt alles met alles samen, maar elke analyse loopt dood – al was het maar omdat die vier ontbreekt. Dat roept een vraag op die geen van de zeventien versregels beantwoorden kan.

Möhlmann is goed in het creëren van zulke onzekerheden. Soms doet hij dat ook op simpel taalniveau, zoals in ‘We tonen’. De twee slotregels van dat gedicht melden: ‘de toekomst ligt in onze armen, in onze warme / gespannen armen…’ Dat suggereert een belofte, maar de vijf slotwoorden ontregelen het vooruitzicht, want de toekomst ligt daarin ‘panisch naar adem te happen’.

‘We tonen’ is onderdeel van de eerder genoemde cyclus ‘Alle vogels die hun vleugels uitslaan’. Elk van de zesentwintig verzen in die reeks werd voor of dankzij iemand geschreven. Die personen worden achter in de bundel vermeld. Het zijn vooral dichters, en dat roept vragen op. Vragen naar het waarom. Als neerlandist, oud-medewerker van het Letterenfonds en redacteur van Awater zal Möhlmann op vertrouwelijke voet staan met elk van hen. Maar wat is de meerwaarde van hun vermelding? Is ‘We tonen’ beter te lezen als we de verwijzing naar Lieke Marsman begrijpen? Wanneer we de erelijst van deze cyclus koppelen aan de overige literaire verwijzingen in Ik was een hond, ontstaat de indruk dat Thomas Möhlmann zichzelf een comfortzone heeft geschapen. Een warm literair ledikant, waarin hij zich naar hartelust durft te wentelen. Is hier ‘Het hecht’ van toepassing?

Iemand liet de deur op een kier

iemand deed hem met zijn vinger

op zijn lippen weer dicht. Draaide

de sleutel om, waande zich veilig.

Dat is geen comfortzone meer, dat is een cocon. Ik hoop maar dat de poëtische engerling zich in zijn vijfde bundel tot een vrije mei- of juni-kever zal ontpoppen.