Recensie

Yoga en de dood van God

Filosofie In zijn introductie in de moderne wijsbegeerte maakt filosoof Ger Groot geen onderscheid tussen hoge en lage cultuur. Rode draad is Gods verdwijnen uit de filosofie.

Op 21 januari 1793, drieëneenhalf jaar na de Franse Revolutie, werd koning Lodewijk XVI, het hoofd van het Ancien Régime, onthoofd.

Op de Canadese Universiteit van Ottawa werden ruim een jaar geleden de yoga-klasjes geschrapt omdat onder studenten de opvatting heerste dat de Westerse wereld zich door yoga te beoefenen Indiaas cultuurgoed toe-eigent, na sowieso al ‘culturele genocide’ te hebben gepleegd tijdens de eeuwen van kolonisatie. De downward-facing dog is niet langer een ogenschijnlijk onschuldige rekoefening maar de zoveelste smet op het Westers blazoen.

De geest uit de fles. Hoe de moderne mens werd wie hij is, het nieuwe boek van filosoof Ger Groot (1954), is een inzichtelijke introductie in de geschiedenis van de moderne wijsbegeerte. Groot beschrijft hoe we vanaf de Reformatie, via Verlichting, Romantiek, Modernisme en Postmodernisme belandden in het nog niet zo scherp gedefinieerde tijdperk van nu; de jaren van identiteitspolitiek, post-truth, cultural appropriation, klimaatverandering en zingevingindustrie. De populariteit van yogascholen symboliseert hoe alle landsgrenzen decennialang vervaagden, de verdachtmaking die volgde hoe ongelukkig velen zijn met die verwaterde identiteiten.

Ger Groot vertelt de wordingsgeschiedenis van de moderne mens aan de hand van voorbeelden uit kunst en cultuur door de eeuwen heen. Bij het kleurrijk geïllustreerde boek hoort een website waar ook muziek- en filmfragmenten zijn verzameld. Hij maakt daarin geen onderscheid tussen hoge en lage cultuur: Groot verwijst behalve naar opera, architectuur, cinema en beeldende kunst ook naar Kierkegaard-comics en GeenStijl, naar reclame, zelfhulpboeken, volkszangers, mode, koffiekopjes bedrukt met zogenaamd inspirerende leuzen, graffiti en politieke campagnes.

Playmobil-poppetje

De geschiedenis van de moderne filosofie wordt getekend door het afscheid van het goddelijke en daarmee het verlies van het absolute: ‘de geest is uit de fles’. Die moderne geschiedenis begint bij Luther, in het boek van Groot prominent afgebeeld in de Playmobil-versie die nu van de kerkhervormer bestaat en in het Lutherjaar 2017 Darth Vader als populairste Playmobil-poppetje van de troon heeft gestoten.

In Luthers afkeer van de kerk als instituut en zijn nadruk op de individuele relatie tot het goddelijke zijn zowel de fundamenten voor de Verlichting als voor de Romantiek te herkennen. Voor Luther ging het om een persoonlijke weg naar God, honderd jaar later voor Descartes met zijn ego cogito om een strikt individuele methode die naar waarheid zou leiden, buiten instituten, tradities en autoriteit om. In het protestantisme kon geen kerkgebouw, hoe indrukwekkend dan ook, of prediker, hoe bewierookt dan ook, de weg naar de hemel wijzen, alleen de eigen geestelijke ontwikkeling deed er nog toe. Tegen het eind van de achttiende eeuw komt dit Lutherse ideaal (geïnspireerd door Augustinus) tot volle wasdom wanneer in de Romantiek niet langer de universele ratio op handen wordt gedragen, maar in de eerste plaats de persoonlijke vrijheid.

In een mooi hoofdstuk over Madame de Staël beschrijft Groot hoe de Duitsers aan het begin van de negentiende eeuw in de ogen van de Fransen maar een stelletje provincialen waren, op prenten afgebeeld als een sentimenteel, bierdrinkend, burgerlijk volkje dat nog onbekommerd met één been in de natuur leefde. Toen De Staëls De l’ Allemagne in 1810 verscheen, had men in Frankrijk al de Revolutie achter de rug en waren de Verlichtingsidealen al aardig ingeburgerd, terwijl Duitsland nog uit een verzameling van min of meer onafhankelijke staten bestond. In contrast met het Franse vertrouwen in de universele rede en de kosmopolitische burger kwam in Duitsland de nadruk op de subjectiviteit en de geheel eigen sentimenten te liggen, een tendens die de weg plaveide voor het nationalisme dat de moderne geschiedenis van Europa zo heeft bepaald.

Dat waarheid een kwestie van perspectief is, kondigde zich allang voor Nietzsche aan in de schilderkunst

Volgens Groot was in Frankrijk ook de laïcité al gauw een gegeven en hadden de Franse denkers vrij snel vrede met de dood van God, omdat het Franse katholicisme een minder directe band met God impliceert en de meeste geloofskwesties werden afgehandeld via heiligen en priesters. Groot haalt een uitspraak van Voltaire aan, die een gast die kwam te spreken over de dood van God zou hebben vermaand met de uitspraak: ‘Zeg dat niet in het bijzijn van mijn personeel. Ik moet denken aan mijn tafelzilver.’ In Duitsland daarentegen problematiseert Nietzsche honderd jaar na Voltaire nog het verdwijnen van het absolute ijkpunt en hoe daarmee al onze ideeën over mens, moraal en cultuur op losse schroeven komen te staan.

Waarheid wordt een kwestie van perspectief, een aardverschuiving die zich reeds ver vóór Nietzsche in de schilderkunst aankondigde, zoals Groot laat zien. Al in de Renaissance raken nieuwe technieken in zwang die schilders in staat stelden de werkelijkheid te verbeelden zoals zij die vanuit hun eigen standpunt ervaren. In Ik heet Karmozijn, de roman van Orhan Pamuk die Groot aanhaalt, komen de islamitische boekverluchters in het Turkije van de zestiende eeuw in de problemen als ze de nieuwe Italiaanse schilderstijl willen overnemen. Niet de mens bepaalt in welke volgorde de dingen gerangschikt zijn, of hoe klein of groot ze aan ons verschijnen, maar god, en daarmee is voor de Osmaanse geestelijken het perspectief in een schilderij taboe.

De implicaties van het perspectivisme dat Nietzsche beschreef zijn misschien pas nu, in de eenentwintigste eeuw, ten volle doorgedrongen in het maatschappelijk debat, nog een handje geholpen door de pluraliteit van het sociale medialandschap. Sinds 9/11 is tenslotte ook het vertrouwen in de universaliteit van het Westerse marktdenken de das om gedaan.

Hoewel Groot zinspeelt op de lijn die loopt van de Reformatie naar het laat twintigste-eeuwse postmodernisme tot de onbepaalde tijd waarin we leven, maakt hij niet expliciet hoe wij ons nu precies verhouden tot de kwesties die de filosofie tot en met de vorige eeuw beheersten. Het boek heeft een nadrukkelijk open einde en het is aan de lezer zelf om te speculeren hoe na te denken over de mens in een wereld na 9/11.

In genuanceerde hoofdstukken over Heidegger, Foucault en Derrida zet Groot uiteen hoe de vraag naar taal, de rol van de wijsbegeerte ten opzichte van de wetenschap en techniek, en de methode van de filosofie in het algemeen het wijsgerig discours bepaalden. De filosofen van de twintigste eeuw hadden te kampen met opkomende wetenschappen die veel oorspronkelijk wijsgerige vragen overnamen, en met een nogal geknakt vertrouwen in de menselijke denkvermogens in de nasleep van twee wereldoorlogen.

Dat het niet geheel duidelijk is hoe het er nu voor staat met die filosofie, komt misschien wel doordat dit precies de kwestie is voor veel filosofen. Groot verwijst naar recente boeken van filosofen als Peter Sloterdijk, René ten Bos en Bernard Stiegler, die de huidige tijd hebben aangeduid met de term ‘antropoceen’, de tijd waarin de mens de aarde onmiskenbaar heeft veranderd in zijn ambitie de wereld beter of comfortabeler te maken, maar niet meer bij machte is de dreigende gevolgen daarvan af te wenden of ook maar een beetje bij te sturen. ‘Het antropoceen is een onleefbare situatie, een impasse’, zo citeert Groot Bernard Stiegler, en in een dergelijke impasse is het de vraag wat een filosoof kan uitrichten.

Musici en hofnarren

Een andere vraag die onbeantwoord blijft is die naar de kunst. De geschiedenis van de filosofie, schrijft Groot, is ook een zintuiglijke geschiedenis. Alle filosofie vindt zijn oorsprong in het dagelijks leven, in wat de filosofen en hun tijdgenoten uit de slaap houdt en hoe dat wordt verbeeld en verwoord door musici, schilders en hofnarren. Toch blijft het beeld- en geluidsmateriaal ondergeschikt aan de tekst en dient het vooral ter illustratie van het verhaal dat Groot schetst. Hoe filosofie en kunst zich tot elkaar verhouden blijft onbesproken, het ‘aloude conflict,’ zoals Plato de wederzijdse nijd tussen filosofen die zich met waarheid bezighouden en kunstenaars die daar lak aan hebben al bestempelde, lijkt gesust in het historisch overzicht van Groot.

Daar is het Groot dan ook niet om te doen. Hij schetst de geschiedenis van de moderne filosofie, mét plaatjes, en spoort daarmee aan verder na te denken over de tijd van nu. In zijn besluit schrijft Groot: ‘We zien voor onszelf een toekomst weggelegd waarover de ontgoocheling al bij voorbaat is ingebouwd – wanneer wij onszelf althans voldoende verstand toestaan. Zo wankel staat de mens en zo onbestemd is daarom ook zijn wereld.’ De vraag is in hoeverre er te rekenen valt op dat ‘voldoende verstand’. Misschien is de hedendaagse mens de scepsis wel moe en heeft hij weinig boodschap meer aan de nuance waar het voldoende verstand voor in moet staan. Wankel lijkt de mens wanneer ook in gymnastiek een belediging schuilt.