Column

Roekeloosheid afgestraft

Vreemd. In mijn jonge jaren, toen ik nog in mijn eentje reisde, maakte ik me nooit druk over mogelijke branden in de panden waarin ik verbleef, hoewel ik daar minstens zoveel risico liep als nu. Ik sliep soms in torenhoge hotels, van Kuala Lumpur tot Buenos Aires, en ik kan me niet herinneren ooit te hebben gezocht naar de nooduitgang voor het geval dát. Het zou zo’n vaart niet lopen.

De ommekeer moet zich zo’n twintig jaar geleden hebben voltrokken in een hotel in Oslo. Midden in de nacht klonk er brandalarm, waar mijn vrouw alerter op reageerde dan ik. Zij stond al in de gang toen ik nog slaperig mijn kleren en schoenen bij elkaar zocht, want het leek me zo raar ongekleed in de lobby te verschijnen.

Met kalmte en zedigheid had het niets te maken, het was eerder een soort naar binnen geslagen paniek. Ik was de enige niet, want er waren ook hotelgasten die tien minuten later met gepakte koffers naar beneden kwamen; als zij waren omgekomen, hadden ze de eerste moeilijke dagen in ieder geval hun ondergoed en tandenborstel bij zich gehad. Het alarm bleek loos, maar als de naam Oslo valt, denk ik nog steeds: hotelbrand.

Mijn vrouw ging me, zoals helaas gebruikelijk, ook in ander opzicht voor. Zij heeft hoge hotels altijd met de nodige argwaan bejegend. Bij de reservering vraagt ze om een zo laag mogelijke verdieping, en als het hotel dat vergeten is, dringt ze bij de receptie op een andere kamer aan. Ook gaat ze nog vóór de eerste nacht op zoek naar de nooduitgang. Het zou mij niets verbazen als ze nog eens voorstelt de nacht op een geïmproviseerd matrasje bij zo’n uitgang door te brengen. „Voor alle zekerheid.”

Juist vanwege mijn roekeloze verleden leek het mij verstandiger thuis geen commentaar te leveren bij de ontstellende beelden van de Londense flatbrand. Ik onderging ze als een schrijnende afstraffing van mijn houding destijds; eigenlijk was die even onverantwoordelijk geweest als de laksheid van de Londense flateigenaar, die de brandveiligheid onvoldoende had gewaarborgd.

Terwijl we naar de beelden keken, vroegen we ons onwillekeurig af of zo’n brand ook in Nederland mogelijk zou zijn. De kranten wakkerden de volgende dag onze bezorgdheid nog aan. Het is niet waarschijnlijk, maar het kan wel – daar kwam het op neer.

Geruststellend is anders. Nog deze week zagen we immers dat ook het onwaarschijnlijke zomaar gebeurt. Wie had gedacht dat vorstelijk gesalarieerde, hooggeplaatste Amsterdamse politieautoriteiten bij een corrupte collega zouden zeuren om gratis kaartjes voor Ziggo Dome?

„En hoe is het in ons gebouw?” vroeg mijn vrouw, „wordt die brandblusser wel eens gecontroleerd?” Ik moest het antwoord schuldig blijven. Wel schoot me te binnen dat ik niet eens weet hoe je zo’n apparaat moet bedienen. En als de vlammen aan je hielen likken, heb je zo weinig tijd om de gebruiksaanwijzing te lezen. Bovendien zul je altijd zien dat je juist dan je leesbril bent vergeten.

Gelukkig wonen wij – uiteraard vooral dankzij mijn vrouw – tamelijk laag. We zullen ons springend kunnen redden, tenzij ik de sleutel van de achterdeur op de verkeerde plek heb opgeborgen. Maar daar kan ik altijd nog mijn vrouw de schuld van geven, als we het overleven.